Er was eens een bejaarde vrouw uit Haarlem. Haar zoon schonk haar een klein, peperduur hondje, niet groter dan een bitterbal. De vrouw had een hartaanval gehad, en haar zoon hoopte dat het hondje haar bedroefde stemming wat zou verlichten, haar gedachten zou afleiden. En het werkte! De oude vrouw laten we eerlijk zijn, zij was al echt op leeftijd voelde zich langzaam beter. Ze begon aan te sterken. Elke dag maakte ze wandelingen met haar Pluisje, aan een dunne, bijna onzichtbare lijn, of in een speciaal draagtas. Pluisje hadden ze hem genoemd omdat hij zo piepklein en zacht was, lichter dan een pluimpje. Het was een aanhankelijk, gehoorzaam en speels hondje.
Op een kille namiddag liep de vrouw met Pluis door de grachtenstraten, toen plots een blinkende auto stopte. Een jonge man en een frêle meisje lachten haar toe door het raam, ze vroegen of ze het hondje even mochten aaien. De vrouw aarzelde, het voelde ongemakkelijk om haar trouwe vriendje te weigeren. Dus hield ze Pluisje voorzichtig omhoog naar het open raam. Razendsnel greep het meisje het hondje beet, de jongen trapte het gaspedaal in en de auto spoot weg zo snel dat het geluid leek te vervagen alsof het door een dikke mist reed.
De oude vrouw schreeuwde na, rende struikelend achter de auto aan over de klinkers, haar stem echoënd door de droomstraten. Ze viel, haar omafiets gleed onder haar uit, en ze sloeg haar knie open, bleef bewegingsloos liggen aan een scheve lantaarnpaal. Buren renden toe, riepen de ambulance, en de vrouw werd meegenomen naar het ziekenhuis. Haar zoon kwam aan haar bed, zij lag bleek en zwak, blauwe lippen. Ze fluisterde enkel de naam van haar hondje. Met trillende handen en doffe, oude tranen mompelde ze: Pluisje…
De zoon, vastbesloten, vond de jonge mensen terug. De buren herinnerden zich het kenteken van de auto, die zo ongewoon glom in de grauwe straat. Met hulp van zijn vrienden sommigen werkten bij de politie ontdekte hij al snel het adres van de eigenaar: een chique villa aan de rand van Bloemendaal. De auto blonk als een gouden munt in de oprit.
Hij ging naar het huis, bonkte op de deur totdat die openging hoe, dat doet er niet toe. En daar lag Pluisje, uitgemergeld en ziek, de vacht dof als oude wol. Sinds het hondje gestolen was, had het niet gegeten of gedronken, het huilde alleen maar zacht, tot zelfs haar piepstem was verdwenen en enkel gesmoorde jammerklachten overbleven.
Hoe het gebeurde? Dat weet alleen de droom. Maar de zoon kreeg Pluisje terug. De dieven waren allang haar beu; ze wilden plezier en vrolijkheid, maar hadden enkel een ziek diertje gestolen dat maar in de weg lag en overal sporen achterliet.
De oude vrouw genas, gelukkig, langzaam als de ochtendzon boven het IJ. En Pluisje werd beter. Nu lopen ze weer samen door Haarlem, voorzichtig, naderen niemand. Pluisje duikt juist vliegensvlug in haar tasje zodra hij voetstappen hoort. Het verhaal loopt goed af.
En toch: als je geluk van een ander steelt, steel je hun adem, hun reden om s ochtends wakker te worden. Soms is het zo klein als een hondje, een oude fiets, een geveltuin aan de Amstel, of de winst van een malle wedstrijd waarvoor niemand applaus geeft behalve het hart.
Juist dat minuscuul geluk houdt iemand vast op aarde. Stelen voor een grap, om je te vermaken, doet niets dan pijn want geluk uit andermans handen voelt altijd koud en nutteloos. Daar mag je voor danken, of je nu wilt of niet.
Voor iets onooglijk kleins, dat de ziel draagt, kun je zonder het te beseffen een boel kapot maken. Zelfs al weegt de ziel maar een paar gram, zij draagt alle hoop, liefde en licht van een mensenleven.






