– Holmes, je bent echt geen heer!
Marijke veegde de pluizige staart van het misverstand dat de natuur op mysterieuze wijze de gedaante van een kat had gegeven uit haar gezicht en nieste luid.
– Bah! Waar ben je geweest? Je staart zit helemaal onder de spinnenwebben! Ik geef toe dat ik geen geboren huisvrouwtje ben, maar zo erg hoeft het toch niet? Waar heb je überhaupt zó veel rommel gevonden? En stap nu van me af!
De kat gaf geen krimp. Trots bleef hij pontificaal op Marijkes kussen zitten, zijn blik vol superioriteit gericht op zijn slordige baas. Het uiteinde van zijn rode pluimstaart gaf haar plagend een tik op de neus, waarop Marijke een gil slaakte en bijna tot het plafond sprong.
– Goedemorgen, zeggen ze dan! Nou, verdwijnt allemaal maar, voordat ik ontplof!
De hamster van haar jonge buurmeisje tijdelijk haar logé vanwege een vakantie van diens ouders schoot zijn huisje in. Hij besloot het ontbijt wel even over te slaan, terwijl de luie oranje druppel die Holmes was niet eens opkeek naar Marijke. Holmes, twee jaar geleden door haar halfdood bij de afvalcontainers gevonden, was inmiddels een gezonde brutaalzak geworden. Zijn vaste ‘wekker’-werkzaamheden spol er zeker niet minder op, ook als niemand daarom vroeg.
Vandaag, moet ik toegeven, deed Holmes zijn plicht. Mijn blik op de klok deed me schrikken ik was wéér veel te laat.
– Wat ben ik toch een mens! Twee wekkers! Twéé! En ik hoor ze niet eens! Hoe kan dat nou?!
Gehaast trok ik de douchedeur open en draaide de kraan.
Mijn schreeuw daarna deed zelfs de hamster begrijpen dat er waarschijnlijk geen lunch en zeker geen diner vandaag zou zijn, terwijl Holmes nieuwsgierig zijn neus in de badkamer stak. Daar stond ik, klappertandend, op één been.
– Wat nu weer?! Alwéér geen warm water!
Mijn woede-uitbarsting onderging Holmes met een bijna filosofische blik op zijn brutale snoet, waardoor ik een beetje moest lachen.
– Even wat geschreeuw, hoor! Schrik maar niet. Maar het is ijskoud!
Holmes was niet onder de indruk. Hij sprong op de dichtgeklapte toiletdeksel ik had mezelf inmiddels keurig afgeleerd die open te laten drentelde wat rond en nestelde zich met zijn indringende blik weer op mij. Mijn humeur zakte onder het nulpunt.
– Draai je om, schoft! Geen schaamte! Je zit hier gewoon te gluren.
Wat volgt is een mengeling van gegrom en gemopper, waar Holmes ondertussen niet meer op reageert. Hij kent mijn grillige aard nu wel.
Ooit was hij nog een serieuze kat, een prijzenpakker met een stamboek vol lastige namen en eigendomsbewijzen. Zijn kittens waren haast goud waard, zijn baasje trots als een pauw. Tot het misging. Na een tentoonstelling werd Holmes ineens ziek geen arts kreeg grip op zijn mysterieuze klachten, terwijl zijn baas algauw zijn belangstelling verloor.
Toen heette hij trouwens nog Hercules of eigenlijk Heracles, maar het officiële naamregister was zo ingewikkeld dat niemand, Holmes incluis, het ooit helemaal kon uitspreken. De naam, de faam, alles werd waardeloos toen bleek dat hij waarschijnlijk geen enkele katerrol meer te vervullen had. Ja, theoretisch was nakomelingen mogelijk, maar niemand zou ze nog willen kopen.
Zijn baas vond het helemaal niks en Holmes was in één klap van paradepaardje tot last geworden. Hij voelde het meteen; geen aai meer, enkel: ‘Ga weg, Heracles. Nu niet.’ En een paar weken later werd hij gewoon verkocht.
De jonge vrouw die hem kwam halen was nogal excentriek: rozekleurig stekeltjeshaar, langgerekte klinkers in haar Limburgse accent, en een blik die Holmes deed vrezen voor het ergste. Ze handelde scherp, propte hem snel in het transportmandje en luisterde niet naar zijn doordringende miauw.
Lang werd hij ergens heen gereden en daarna letterlijk uit het mandje geschud, met een botte: ‘Denk niet dat ik troep tolereer, hoor!’
Natuurlijk liet hij expres op de verkeerde plaatsen zijn boodschap achter. Holmes wilde niet blijven in een huis waar niemand hem moest. Eerlijk is eerlijk, de nieuwe baas probeerde hem nog naar de dierenarts te brengen maar toevallig was dat precies de kliniek van zijn vorige baas. Diagnose: duur, vaag en depressief.
De prijs werd pas bij het tweede bezoek genoemd, om de zenuwen van de vrouw niet meteen te breken.
– Hoe veel?!
Die avond werd Holmes weer in het transportmandje gepropt en ver van huis naast een prullenbak achtergelaten. Daar vond ik hem, Marijke.
Toevallig, echt waar, liep ik die ochtend over de Amsterdamse binnenplaats bij de stort, samen met de dolle maltezer van de buurvrouw hun baasje lag in het ziekenhuis en de hond heette, tot mijn verbazing, Cleo. Cleo blafte zo’n overweldigend hoog pieptonend alarm bij het ruiken van Holmes’ transportbox dat ik angstvallig sssshhh deed, want de buren slapen nog.
– Cleo! Rustig nou, gek beest! Wat is daar? Een rat soms?
Ze straalde allesbehalve minachting voor maar een rat uit. Ze trok me naar het doosje, dat Holmes aanvankelijk futloos negeerde. Ik dacht al dat het te laat zou zijn en wilde het vervoerdoosje weer terug zetten, toen Holmes’ staartpuntje toch opeens bewoog. Ik, in koor met Cleo, riep het uit:
– Hij lééft!
Wat er toen gebeurde, zal me altijd bijblijven. Hoe kon zon fragiel meisje als ik want zo voelde ik me toen en zo zag ik er wel uit zon lawaai maken, zo rap zijn en zo eigenaardig?
Als eerste dook ik Holmes in een teiltje met veel te koud water. Ik hield niet op met schrobben tot zijn vacht piepte en het grootste deel van zijn ooit zo majestueuze pels weg was. In een groot, vrouwelijk badlaken gewikkeld, was Holmes zo verbijsterd dat protesteren geen optie leek. Daarna kreeg hij, tot zijn verbazing, Cleos hondenbrokjes voorgezet, want iets anders was er niet. ‘Sorry vriend, krap bij kas, alles gaat nu op voor de huur totdat mama weer komt.’ Ik lachtte en liet meteen enthousiast mn nieuwe pumps zien, de trots van een student in Amsterdam:
– Vind je ze mooi? Voor elk feestje en sollicitatie.
Holmes moest maar niet teveel nadenken over zijn vorige baas. Die hadden hem weggegooid, maar hij werd nu door een nieuw baasje omarmd. Ik vond het, net als mijn moeder altijd, belangrijk voor dieren te zorgen: elk dier; zwerfkat, hond, zelfs een lijster of een hagedis zonder staart.
Ik was ervan overtuigd dat ik dierenarts wilde worden sinds ik als zesjarige een hagedissenstaart per ongeluk afbrak zo overstuur dat ik bijna opgenomen werd in het ziekenhuis. Mijn moeder, een zakenvrouw in bloemen, leerde me: ‘Als je iets wilt, doe het dan alles zelf. Hulp krijg je niet cadeau.’
Dus, na al mijn stages en studie werkte ik nu als dierenarts in Utrecht. Altijd te laat, te druk, maar altijd met mijn hart op de juiste plaats.
Holmes had zich in die tijd verbazingwekkend hersteld, hoeveel prikken, pillen en verzorging daar ook voor nodig was. Ik sprak hem toe:
– Even volhouden hè, lieverd? Het doet pijn, het is moeilijk, maar wie vecht er beter voor je dan ik? Jij bent van mij en niemand krijgt je terug!
Na maanden kwam hij er weer bovenop. Verrassend genoeg was juist op zon doordeweekse dinsdag tijdens het ramenwassen dat ik bedacht: hij heeft eigenlijk nooit een echte naam gekregen sinds hij bij mij woont…
Die avond riep ik mijn moeder Anneke en mijn stiefvader Piet bij elkaar. Ook de hamster was er weer bij, want die woonde meer bij ons dan bij zijn echte baasje.
– Hij heeft een naam nodig!
Mijn moeder schoot in de lach na een paar pogingen tot serieus overleg.
– Hiervoor haal je ons erbij, Marijke?
– Ik meen het echt, mam! Dit moet goed gebeuren!
– Anneke, even wachten stond Piet bij, met zijn ferme handen op mijn moeders schouders. En? Iemand suggesties?
– Hij is slim, sterk, en hij laat zich nooit zomaar kennen. Echt een heer… dacht ik hardop.
– Een echte heer! grinnikte Piet, en hij streelde Holmes over zn kop.
Holmes kende deze man goed. Want wanneer ik naar Wageningen moest voor extra bijscholing, was hij degene die Holmes diens eten en kattenbak onderhield. Holmes accepteerde zijn goede zorgen zelfs met een bescheiden spinnen en neusjes geven.
– Zie je wel! lachte Piet.
– Hij wordt Sherlock! besloot ik.
Holmes vond die naam wel best. Hij reageerde niet altijd, maar ja, het is een kat en geen hond.
Inmiddels had Holmes mijn bijnaam voor hem: ‘varkentje’, wegens zijn ondeugd. Nu woonde ik op mezelf in Utrecht, mijn moeder was bij Piet ingetrokken. Vrijheid, dacht ik, zou heerlijk zijn maar stiekem miste ik regelmaat. Avonden lagen we samen op de grond; Holmes op mijn schoot, mijmerend:
– Ik wil eigenlijk wel iets stabiels. Een gezin, bijvoorbeeld… Maar waar vind je iemand die dat met mij durft aan te gaan, Holmes?
De kat zei natuurlijk niets. Zelfs als hij had gekund zou ik zijn antwoord hebben genegeerd. Ik zag de nieuwsgierige blikken in de trein niet, en zelfs niet die van klanten die twintig keer hun parkiet kwamen laten nakijken, gewoon om mijn blauwe krullen onder mijn pugs-mutsje nog eens te zien.
Dat mutsje, met lachende mopshondjes, had ik zelf uitgezocht. Iedereen in de kliniek liep er nu in, en ik kreeg er zelfs een kleine bonus voor. Daarmee kocht ik een luxe kussen voor Holmes, die uiteraard mijn schoot prefereerde.
Uiteindelijk bestond mijn huishouden uit: een tobberige Holmes, een vrolijke hamster waar niemand een naam voor wist, en ikzelf altijd zoekend, meestal in de knoop met mn kluts. Mijn moeder maakte zich zorgen, Piet was daar heel nuchter in, en de hamster maakte zich alleen druk om Holmes.
Toen, op een koude ochtend, moest ik weer met Holmes onverwacht naar de kliniek voor bloedonderzoek. Hij weigerde natuurlijk in het reismandje te stappen.
– Eigen schuld! Twee dagen doen alsof je niet meer op je pootjes kon staan! Stel je niet aan, Holmes. We moeten gaan. Anders kan ik straks voor dit geld bijna een fiets kopen! Oké, iets minder misschien… maar toch!
Met veel gemopper kreeg ik hem in het mandje en stormde de deur uit.
Het was ontzettend druk die dag in de kliniek. Ik groette mijn collega’s, zette Holmes op de tafel, toen raakte alles in de war.
Een kleine lapjeskat, wachtend op haar beurt, veranderde ineens in een razende furie toen ze Holmes zag. Ze beet de dierenarts, worstelde zich los uit de handen van haar baasje en sprong op Holmes af.
Holmes, net zo slechtgehumeurd als ik, wist eerst niet wat hem overkwam. Maar hij wist haar vakkundig tot bedaren te brengen nog voor iemand het doorhad.
– Wauw! riep de jonge man die de eigenaar van de kat bleek te zijn. Wat een actie! Denk je dat je kat me kan leren hoe dat moet?
Ik had geen zin in grapjes, draaide me om en schoot uit mijn slof. Maar toen staarde die jongen me vol bewondering aan, en vroeg fluisterend:
– Juffrouw, alsjeblieft, zeg me dat u nog vrij bent!
Jaren later, in een warm, gezellig huis aan de rand van Utrecht, klonk op een ochtend een zucht:
– Holmes! Alwéér?!
Iets kleins, warms en levends raakte mijn wang. Ik sloeg bijna mijn hand voor mijn mond om niet de hele buurt bij elkaar te gillen. Mijn man trok me dichterbij en mompelde slaperig:
– De hamster?
– Ja Hé hemel, wanneer houdt het een keer op? Ik probeerde het beestje te pakken te krijgen, wéér op de vlucht voor Holmes nakomelingen, of misschien voor die erfelijke angst voor rode katten.
Maar nog voordat ik het kon doen, schoot onze zwarte kat de kamer in, greep de hamster en puilde de deur uit, recht langs een majestueuze Holmes.
– Jouw kat!
– Jouw hamster! En Holmes heeft er dit keer niets mee te maken, maar je gaf hem tóch weer de schuld
Ik nestelde me tevreden tegen mijn man aan.
– Het blijft toch vreemd!
– Wat? Dat de kat haar maaltje verdient?
– Ze bezorgt me alleen maar stress! Moet die hamster élke ochtend bij me in bed belanden?
– Van muizen zijn we nog altijd gespaard gebleven
– Dat hoeft er niet ook nog bij, laten we het maar bij de huidige beestenboel houden. Maar zeg eens eerlijk hoe krijgt die kat toch telkens het hok open?
– Dat weet ik heus wel, maar gisteren wilde jij niet kijken.
– Ik had de tweeling in bad!
– Precies. Terwijl jij dat deed, ontdekte ik weer wat nieuws over Holmes.
– Wat dan?
Ik pakte de telefoon die hij me aanreikte en proestte het uit: Holmes tilde met zijn poot het slot van de hamsterkooi op, zodat zijn maatje erbij kon, en zat vervolgens als een ware Sfinx te kijken naar wat er dan gebeurde.
De aanstichter van alle onrust zat zelfvoldaan op de drempel, keek om, en ik glimlachte:
– Ben je wakker geworden? Kom maar! Ik sta zo ook op!
En onze grote rode kat schreed plechtig naar de kinderkamer, duwde met een klap de deur open. Twee stemmetjes en één rauwe kattenkreet klonken door het huis:
– Goedemorgen!
Ik kwam binnen, kroelde Holmes achter zijn oor en glimlachte naar mijn zoons dankbaar dat huiselijkheid soms uit onverwachte hoeken komt. Wat Holmes me geleerd heeft? Soms geeft het leven je geen tweede kans, soms wordt je weggegooid maar met genoeg hart, doorzettingsvermogen en een beetje Hollandse nuchterheid, kan zelfs een opgegeven kat uitgroeien tot het anker van een warm thuis.






