Verdwaalde bagage
De koffer woog anders dan hij hoorde te doen.
Myrthe merkte het al bij de bagageband. Die vertrouwde twaalf kilo voelde opeens zwaarder, compacter, met een ander zwaartepunt. Maar de grijze hardschalen koffer zag er precies zo uit: kunststof, vier wieltjes, kras op de linkerhoek. Ze trok de hendel uit en liep richting de uitgang.
De luchthaven van Rotterdam rook naar verse koffie en natte tegels. Buiten regende het maartachtig zacht, geen vakantieweer. Myrthe dacht: een congres over stadsbeplanting is natuurlijk een prima reden om van Amsterdam naar Rotterdam te reizen. Maar nou ook weer niet een reden om vrolijk van te worden.
Ze was eenendertig. Junior onderzoeker aan het Nederlands Instituut voor Urbanistiek, een kleine huurstudio van achtentwintig vierkante meter, stapels boeken tegen de muur. Op zondag belde haar moeder uit Groningen, met steevast dezelfde vraag: En? Nog niemand? Telkens hetzelfde antwoord: Mam, werk. Alsof dat alles verklaarde.
De taxi naar het hotel duurde twintig minuten. De chauffeur vroeg of ze op vakantie was. Myrthe antwoordde: Voor werk. Hij knikte, alsof hij geen ander antwoord had verwacht.
De kamer was klein, maar schoon, met uitzicht op een grijze strook Maas. Op de vensterbank stond een plastic plant een geranium die geen echte geranium was. Myrthe zette haar koffer op bed, klikte de sloten open en sloeg de deksel omhoog.
Ze verstijfde.
Binnenin lagen mannenkleren.
Een grofgebreide trui donkergroen, geurend naar gras of hooi, niet naar aftershave. Duidelijk niet haar maat: veel bredere schouders. Spijkerbroek. Sportschoenen in een zak, maat 44. Een telefoonlader die niet van haar was. Een klein zakje met zaden opschrift in het Duits, iets botanisch. En een notitieboek. Dik, leren kaft, breed elastiek dwars erover.
Dit was niet haar koffer. Myrthe ging op de bedrand zitten en staarde naar de vreemde spullen. Grijze huls, vier wielen, kras op dezelfde hoek. Maar de inhoud van iemand anders. Iemand had haar spullen boeken, jurk voor de lezing, laptop met presentatie, foto van haar moeder in een lijstje meegenomen. En zij de zijne.
Vijf minuten zat ze stil, geen idee wat te doen. Toen belde ze de luchthaven. Een bandje vroeg haar te blijven wachten. Elf minuten later kreeg ze een medewerker aan de lijn. Die noteerde vluchtgegevens, labelnummer en vroeg haar te wachten op terugkoppeling. Ze zouden zeker terugbellen.
Myrthe legde de telefoon neer en keek opnieuw naar de open koffer. Het notitieboek lag bovenop, alsof het als laatste was ingestopt. De leren hoeken waren versleten, het elastiek wat lam.
Ze wist dat het niet hoorde. Andermans spullen, andermans leven, andermans gedachten. Zoals afgeluisterde gesprekken of door het raam gluren naar vreemdens kamers. Niet netjes.
Myrthe liep door de kamer, schonk water uit de karaf in en dronk. Ze keek opnieuw naar het notitieboek.
Haar linkerschouder, altijd net iets lager door het constant dragen van haar werktas, schoof vanzelf naar voren. Haar vingers, glad gepolijst door het touchpad van haar laptop, raakten de kaft. Het leer voelde warm, zacht.
Ze sloeg het boek open.
***
Het handschrift was ongewoon. De letters hingen scheef naar links, rond, met lange lussen bij de j en de g. Niet gehaast, maar doordacht. Een mens die zo schrijft, praat waarschijnlijk ook rustig.
De eerste bladzijde had geen datum.
Leiden. s Ochtends naar de Hortus Botanicus gelopen. De stad van bovenaf lijkt op een enorme tuin waarin niemand meer snoeit. Bomen tussen huizen. Struiken klimmen op de balkons. De plataan voor de deur van de hortus getekend. De stam is als een landkaart: licht en donker, vlekken en eilanden. Drie uur gezeten tot ik het koud kreeg.
Myrthe sloeg om.
Keulen. In de botanische tuin een baobab getekend. Natuurlijk geen echte een bonsai. Maar de wortels lijken alsof hij wil ontsnappen uit de pot. Serieus boom, klein postuur. Misschien ben ik ook zo.
Ze grinnikte. Voor het eerst die dag.
Ze bladerde verder. En verder, steeds weer.
Aantekening volgde op aantekening: Marrakech, Porto, Groningen, Leeuwarden. Steeds over een plek, een plant. De schrijver reisde, tekende bomen, dacht hardop op papier. Nooit over hotels, restaurantjes, bezienswaardigheden. Alleen groen, stengels, stammen, bladerkronen, wortels. Tussen regels door schetsjes snel, trefzeker, levendig. Een takje met drie blaadjes. Een wortel die uit de grond kwam en een kei vastgreep.
Marrakech. Op de markt stond een sinaasappelboom midden tussen de kramen. Handelaars hingen plastic zakjes in de takken. Maar die boom stond daar. Zeker tweehonderd jaar oud. Overleefde elke markt, elke koopman. Getekend handen trilden van de hitte.
Porto. Wisteria aan de kade hangen zo laag dat je ertegenaan loopt. Portugezen lopen eromheen. Toeristen maken fotos. Ik dacht: een boom die zich niks van grenzen aantrekt. Groeit waar hij wil. Dat wil ik ook.
Myrthe merkte dat ze al zon veertig minuten zat te lezen. Buiten was het donker geworden. Regen tikte zachtjes tegen het raamkozijn.
Ze bladerde verder.
Groningen. Oude stadspark ingelopen. Lindes met drie armen dik, wortels trekken het asfalt open. Vroeger liepen hier mensen. Nu alleen bomen. En ik. Één linde getekend. Stond als een wachter, stijf, rechtop, geen blad bewoog. Zo ziet trouw eruit, dacht ik: wachten tot iemand terugkeert.
Myrthe zag dat in elke aantekening de schrijver met bomen praatte zoals anderen met vrienden konden praten. Zonder schaamte, zonder pose. Bomen waren zijn gesprekspartners. Ze werd steeds nieuwsgieriger waarom dat zo was.
Toen kwam een aantekening die haar stokstijf deed zitten.
Leeuwarden. Twee jaar na de scheiding. Met Lieke veertien jaar samen van de studie tot het einde. Ze zei: Je houdt meer van bomen dan van mensen. Misschien had ze gelijk. Misschien kon ik mensen niet goed liefhebben zodat zij het voelden. Ik geloof niet meer dat ik iemand zal vinden. Geen boom een mens. Iemand die snapt waarom ik wortels teken.
Myrthe sloot het boek. Legde het op het nachtkastje. Ze stond op en keek uit het raam.
De regen hield niet op. De Maas was grauw en vlak, zonder lichten. Beneden sloeg een deur dicht, werd gelachen jonge stemmen, vrolijk, vreemd.
Eénendertig. Studio. Boekenstapels. En? Nog niemand? De laatste relatie lag al anderhalf jaar achter haar, zonder dat ze nog zocht. Ze was op een dag thuisgekomen, in de keuken gaan zitten, en voelde dat het goed was zo. Of eigenlijk niet per se goed maar vertrouwd. En gewoonte vervangt geluksgevoel, mits je niet teveel nadenkt.
Ze draaide zich naar de koffer en begon zorgvuldig de spullen terug te leggen. Toen herinnerde ze zich opeens
De brief.
Die ze uit verveling in het vliegtuig had zitten schrijven. De vlucht was twee uur vertraagd, ze pakte een vel en pen gewoon om haar handen bezig te houden. Geen dagboek of notitie, gewoon: Beste onbekende, ik droom ervan iemand te ontmoeten… Ze had het niet afgemaakt. Voor het landen die brief in de binnenzak van haar koffer gestoken en vergeten.
Die brief zat nu dus in haar koffer. De koffer die iemand anders meegenomen had. Een man, van wie het reisdagboek nu op het nachtkastje lag.
Myrthe ging zitten. Haar wangen gloeiden.
***
De volgende ochtend belde ze opnieuw de luchthaven.
Bagage tracing, Esther aan de lijn. De stem klonk vermoeid, in de achtergrond kraakte het, alsof iemand op een beschuit beet.
Gisteren heb ik melding gemaakt. Vlucht Amsterdam Eindhoven Rotterdam, labelnummer…
Momentje. Het kraken stopte. Ja… Uw melding is in behandeling. We nemen contact op.
Wanneer?
In volgorde van binnenkomst. Meestal tussen drie en tien werkdagen.
Tien?
Werkdagen. Kan ook eerder. Houd de telefoon bij de hand.
Myrthe hing op en keek naar de onbekende koffer. Kleding had ze nodig. Het congres begon overmorgen. Haar enige fatsoenlijke jurk, haar laptop met presentatie, schoenen alles bij een onbekende in een onbekende straat.
Ze ging Rotterdam in. Winkelcentrum op vijftien minuten lopen. Kocht een broek, blouse, ondergoed, telefoonlader. Bij de kassa vroeg de verkoopster:
Bagage kwijt?
Verwisseld.
Gebeurt hier vaak. Alle koffers zijn hier grijs.
Myrthe knikte. Dus niet alleen zij. Dat stelde op een of andere manier gerust.
Ze kocht een tandenborstel en tandpasta bij de drogist, nam cappuccino bij de koffiebar om de hoek staand aan de bar want elk tafeltje zat vol met stelletjes. Onderweg terug belde ze haar moeder.
Aangekomen? Hoe is het weer daar?
Regen.
Heb je je paraplu?
Mam, ik ben mn koffer kwijtgeraakt.
Ach toe nou. Gestolen?
Gewisseld op het vliegveld. Iemand heeft de mijne, ik die van een ander.
Haar moeder zuchtte. Gek idee, dat iemand nu met jouw spullen loopt. Wat zou die wel niet denken van al die boeken?
Mam…
Echt! Je reist altijd met een halve bibliotheek.
Myrthe vertelde niets over het dagboek van bomen, het handschrift naar links, noch die aantekening uit Leeuwarden. Ze zei: Komt goed, mam, en hing op.
Toen liep ze terug naar haar kamer en opende de vreemde koffer weer.
Niet voor het dagboek ze zocht nu een hint, naam, telefoon, wat dan ook. Alle binnenzakken controleerde ze. In het zijvak, achter de rits, lag een visitekaartje.
T. van Baarsen. Landschapsontwerp. Advies, tuinontwerp, uitvoering.
En een mobiel nummer.
Myrthe appte via WhatsApp:
Goedemiddag, ik vermoed dat we gisteren op Rotterdam The Hague Airport onze koffers verwisseld hebben. Ik heb uw koffer met een kras op de hoek, notitieboek en uw visitekaartje. Ik vond uw contact.
Het antwoord kwam negen minuten later.
Hoi! Ik heb net uw koffer geopend. Absoluut niet de mijne boeken, schrift, jurk. Het spijt me enorm. Ik ben nog steeds in Rotterdam. Kunnen we ruilen?
Ze las het drie keer. Boeken. Schrift. Jurk. Hij wist van haar spullen.
Prima, waar en wanneer?
Café De Zwaan op de Boompjes, morgen om tien uur? Ik neem uw koffer mee.
Afgesproken. Ik ook.
Ze legde haar telefoon weg. Pakte die weer. Herlas: Boeken, schrift, jurk. Hij had haar koffer geopend. Haar spullen gezien. Misschien haar schriften, waar ze ideeën voor artikelen in schreef. Misschien de foto van haar moeder. Misschien haar brief.
Myrthe sloot even haar ogen. Ze stelde zich voor hoe hij nu zat in zijn hotelkamer of op een balkon, of in een café met haar brief in handen. Liniërpapier, afgerafelde rand, haar haastige handschrift. Lezende woorden die ze nooit aan iemand had willen laten lezen.
Ze keek naar de laatste regel uit Leeuwarden.
Ik geloof niet meer dat ik iemand zal vinden.
En zij had geschreven: beste onbekende, ik droom ervan iemand te ontmoeten En die brief zat nu bij iemand die bomen tekent en zoekt naar iemand die het zal begrijpen.
Toeval. Een raarslapen, onmogelijk toeval van grijze koffers in gelijke maten.
Of toch niet.
Myrthe ging aan haar tafeltje zitten en bladerde naar de laatste bladzijde. Na Leeuwarden stonden nog een paar paginas.
Den Bosch. Lente. Balkon is een oerwoud, buren klagen. Honderdveertien planten ik heb geteld. Lieke zou zeggen: Je bent niet goed. Maar Lieke is weg. Niemand klaagt meer. Alleen de ficus. Ficus zwijgt. Ideale gesprekspartner.
Dan, helemaal achteraan:
Op weg naar Rotterdam. Botanische Tuin. Wil het tulpenboom zien dat al honderd jaar bestaat. Vakantie. De eerste in jaren die niet om werk draait. Raar gevoel, geen excuus hebben.
Myrthe deed het boek dicht. Stopte het terug in de koffer. Rits dicht.
Hij vloog naar Rotterdam voor een boom. Zij kwam voor een congres over vergroening van de stad. Hij tekende flora in vreemde steden. Zij schreef artikelen over hoe je planten terugbrengt naar de stad. Ergens tussen die twee redenen zijn de koffers met elkaar verwisseld.
Ze lag laat in bed, dacht na over hoe wonderlijk het leven werkt. Je werkt, reist naar congressen, pakt je spullen, sluit je koffer. En dan zon toevallig incident laat je een ander mens kennen zoals je anders na een jaar misschien nog niet deed.
***
Café De Zwaan lag direct aan de Boompjes, tussen de palmen en fietsenrekken. Glazen wanden, houten tafels, verse broodjes, kaneel in de lucht. De serveerster in een schort met molens zette kopjes uit.
Myrthe was twintig minuten te vroeg. Niet uit haast, maar omdat ze niet in haar kamer kon blijven. Ze koos een plekje aan het raam, zette de koffer naast zich neer en bestelde thee. Haar handen trilden zacht toen ze het menu pakte. Onzin eigenlijk. Het is gewoon een kofferwissel. Meer niet.
Maar vanbinnen wás het niet meer niet. Binnenin was een gelezen dagboek vol een vreemd leven dat dichterbij voelde dan de meeste bekenden.
Ze herkende hem direct.
Een man kwam exact om tien uur met haar grijze koffer. Lang, donkergroene jas precies de tint van de trui uit de koffer. Zijn neusbrug en jukbenen hadden een duidelijke zonnebrilstreep, drie tinten donkerder dan zijn voorhoofd. Hij keek rond, zag de koffer en liep op haar af.
Myrthe? Zijn stem klonk zacht, met een korte pauze voor haar naam, alsof hij het even proefde.
Ja. Tom?
Hij knikte en ging tegenover haar zitten. Zette haar koffer naast de zijne. Twee grijze tweelingen, naast elkaar.
Gek toch, zei hij. Ik had het label nog gecheckt.
Ik ook.
Labels in de war. Of we waren allebei slordig.
Of de koffers zijn met elkaar onder één hoedje.
Hij glimlachte. Niet breed, maar met één mondhoek. Myrthe besefte: hij glimlacht zoals hij schrijft ingetogen, maar hartelijk.
Ik moet iets zeggen, zei Tom.
Wat?
Ik heb uw koffer geopend. Dacht dat het de mijne was. Toen zag ik boeken en toen wist ik het.
Ik heb die van u ook geopend. Het duurde ook even voor ik het besefte.
Pauze. Hij draaide ritmisch met het lepeltje. Grote handen, onder de korte nagels aarde geen viezigheid, maar gewoonte.
Ik heb in het schrift gekeken, zei Tom zacht. Notitieboek voor artikelen. Over vergroening. Het fascineerde me. Eigenlijk mocht het niet, maar
Ik heb uw dagboek gelezen, zei Myrthe.
Hij keek op.
Helemaal?
Helemaal.
Stilte. Buiten sloegen de golven zacht tegen de kade. Een jongetje gooide brood naar meeuwen.
Dan weet je van Leiden, zei Tom.
En van Keulen. En van de bonsai-baobab.
En Groningen.
Van de linde die op trouw lijkt.
Hij keek naar tafel.
En Leeuwarden.
Myrthe knikte. Geen uitleg nodig. Hij begreep het.
Nu weet u van mij meer dan ik gewoonlijk iemand vertel, zei hij.
En u van mij, zei zij.
Hij bleef even stil. Toen haalde hij een gevouwen briefje uit zijn jaszak. Myrthe herkende het meteen. Gelinieerd papier, hoek omgeslagen haar brief.
Ik vond deze in de kofferzak, zei Tom. Ik heb hem gelezen. Had het niet moeten doen. Maar ik deed het wel.
Ze keek naar het briefje. Haar wangen brandden weer.
Onzin, zei ze zacht. Opgeschreven uit verveling in het vliegtuig.
Beste onbekende, las Tom, zonder op het papier te hoeven kijken, ik droom ervan iemand te ontmoeten bij wie ik kan zwijgen. Niet omdat er niets te zeggen valt, maar omdat het ook zonder woorden klopt. Ik ben moe van uitleggen wie ik ben. Moe van zinnen kiezen. Ik wil dat iemand mijn boekenplank aankijkt en het meteen snapt. Ik wil dat iemand
Stop maar, fluisterde Myrthe.
Daar stopt het ook, zei hij. Ik wil dat iemand en dan niks. U had geen slotzin.
Ik wist niet wat ik wilde schrijven.
Ik wel, zei Tom. Ik zou precies hetzelfde schrijven. Maar dan over bomen in plaats van boeken.
Myrthe keek naar hem. Naar die strook zonnegebruind boven zijn neus. Naar zijn handen vol aarde. Naar zijn ogen kalm, verstild.
U weet van mijn moeder in Groningen, zei ze.
Foto in dat lijstje. Mooie vrouw. Jullie lijken op elkaar.
U weet wat voor werk ik doe.
Notities over vergroening in buurten. Ik ben landschapsontwerper. Eerst professioneel benieuwd, daarna gewoon nieuwsgierig.
U weet dat ik alleen ben.
Ik weet dat u op reis ging met één jurk voor een congres. Dat u vijf boeken had voor vier dagen. Dat u de foto van uw moeder in uw koffer meeneemt, niet in uw mobiel u wil haar echt zien, niet digitaal. Dat u met de hand schrijft, maar de hele dag achter de computer werkt. En dat u een brief schreef aan een onbekende die niet bestaat.
Myrthe zweeg.
En ik, ging Tom verder, teken bomen, ben gescheiden, heb honderdvijftien planten op het balkon, en kan niet communiceren zodat mensen blijven. U weet dat nu.
Ik weet het.
We hebben elkaars leven gelezen via onze spullen. En elkaar nu ontmoet, terwijl we elkaar eigenlijk al kenden. Alsof we daten oversloegen naar het derde.
Myrthe lachte. Kort, frank, onverwacht. Tom lachte mee nu breder, open.
Ik weet meer van u dan ik ooit zo snel wilde weten, zei hij. En u van mij ook. Niet eerlijk, of misschien juist eerlijker dan ooit.
Omdat je niet kunt kiezen wat je laat zien?
Precies. Een koffer is een snapshot van je leven. Je laat het niet zien voor de buitenwereld, je pakt alleen in wat je nodig hebt. Dat onthult wie je bent.
Ze keek naar de twee koffers naast elkaar. Grijs, identiek, met krasje links.
Zin om te wandelen? vroeg Tom. De Botanische Tuin ligt vlak hierachter. Ik kwam voor het tulpenboom.
Dat weet ik, zei Myrthe. Uw laatste aantekening.
Hij knikte. Dronk zn koffie op. Stond op.
Koffers hier laten? Zij wees naar de stoelen.
Laat ze maar even samen staan. Ze hebben elkaar toch veel te vertellen.
Ze stapten het café uit. Regen stopte die ochtend; de kaai blonk als gepoetst. Palmen stonden kaarsrecht, geen blad bewoog. Myrthe dacht aan de linde uit de Groningse notitie: trouw, wachten.
Vertel me eens iets wat niet in het dagboek staat, vroeg ze.
Ik heb angst voor duiven, zei Tom droog.
Duiven?
Als kind vloog er eentje door het raam, recht op mijn hoofd. Sindsdien ontwijk ik ze.
Myrthe grinnikte. Hij glimlachte terug.
En jij?
Ik praat hardop tegen boeken. Als een schrijver onzin schrijft, spreek ik hem tegen.
En wie wint?
Meestal de schrijver. Maar ik geef het niet op.
Ze liepen langs de Maas, en Myrthe vond het een ongewoon gevoel naast elkaar lopen met iemand die ze alleen kende van notities, handschrift en bomenkrabbels, en die ze net ontmoet had. Zoals een boek lezen, en daarna de schrijver ontmoeten.
U schreef dat u niet gelooft dat u iemand nog vindt, zei ze. In Leeuwarden.
Weet ik nog.
U vond mijn koffer.
En jij de mijne.
Ze zwegen. Geen ongemakkelijke stilte, maar het soort stilte waarover ze in die brief schreef. Stilte waarin alles duidelijk is.
De Botanische Tuin lag na de bocht Myrthe zag het gietijzeren hek en de bomen die boven de huizen uitstaken.
Dat is het tulpenboom, zei Tom. Zie je? Stam als een zuil. Al honderddertig jaar oud. Heeft oorlogen en crisissen overleefd.
En staat er nog steeds.
En bloeit nog elke mei.
Hij haalde een klein notitieboek uit zijn jas niet het dagboek uit zijn koffer, maar een andere, zakformaat. Potlood. Begin te tekenen.
Myrthe keek naar zijn hand trefzeker, snel. Stam, takken, lijn van het blad. Die zonnebruinstreep op zijn neus, hij kneep zijn ogen dicht door het licht.
Mag ik wat vragen? zei ze.
Tuurlijk.
Toen u mijn brief las, wat dacht u toen?
Zonder op te kijken:
Dacht dat ik wil weten hoe het af zou lopen.
Ik zei toch ik wist het einde niet.
Misschien weet je het nu wel?
Myrthe gaf geen antwoord. Maar keek niet weg. De zon brak tussen de bladeren; lichtvlekjes op haar gezicht als sproeten.
Drie uur bleven ze in de tuin. Ze liepen over de paden, stopten bij elke bijzondere boom. Tom vertelde niet als gids, maar als iemand die vrienden voorstelt. Hij tekende. Myrthe vertelde over haar werk hoe grauwe betonnen binnenplaatsen groen kunnen worden, over strijd met gemeenteambtenaren, over een koppige oude buurman die eigenhandig drieëntwintig appelbomen had geplant en met de VvE ruzie kreeg.
Drieëntwintig appelbomen? Tom grijnsde.
Elk gaf hij een meisjesnaam. Hij zei: die bomen zijn beter gezelschap dan de meeste mensen in het portiek.
Klinkt bekend. Tom lachte. Mijn ficus heet Arend. Al zes jaar. Enige die mijn scheiding overleefde.
Arend?
Heeft iets houterigs, maar ook iets eigenwijs.
Myrthe lachte hardop. In een heel jaar Amsterdam had ze niemand zó luchtig gesproken. Geen pose, geen bewijsdrang – gewoon twee mensen die bomen namen geven.
Ze zaten op een bankje onder het tulpenboom. Tussen hen in lag een halve meter lucht. Geen van beiden bewoog dichterbij.
Morgen congres? vroeg Tom.
Ja. Lezing om twaalf.
Onderwerp?
Groen in de stad en het welzijn van bewoners. Saai onderwerp.
Voor sommigen misschien. Voor mij niet.
Ze keek hem aan.
Wil je erbij zijn?
Op een wetenschappelijk congres?
Ja, een saai congres met bomen.
Mijn hele werk is saaie bijeenkomsten over bomen.
Ze lachten samen. Net als die notities raak, ontspannen, echt.
Terug slenterden ze langzaam. Tom vertelde over Den Bosch balkon vol planten, buurvrouw die planten water geeft als hij weg is, en daarna thee blijft drinken. Over de eerste maanden na zijn scheiding, waarin hij nauwelijks buitenkwam, tot hij voor weinig op Keulen vloog.
Toen begonnen met schrijven?
Tekende altijd al, maar schrijven dat begon daar. Omdat lijnen niet meer genoeg waren.
Myrthe begreep het meteen. Soms moet je je hart uitstorten, ook al is het papier.
Bij het café stonden de koffers nog naast de stoelen. Precies zoals ze ze lieten. Twee grijze tweelingen. Tom pakte zijn, Myrthe de hare. Eindelijk teruggewisseld.
***
Avond. Myrthe zat op haar kamer met koude thee. De koffer, eindelijk terug, stond bij de muur boeken, schrift, jurk. Laptop. Lader. Foto van haar moeder. Vijf boeken. Artikelschrift. Alleen dat ene briefje was weg.
En op de stoel lag een tekening.
Die kreeg ze van Tom toen ze afscheid namen. Een vel uit zijn boekje, netjes afgescheurd. Een boom, niet een tulpenboom of baobab, maar een helemaal nieuwe: grillige kroon, dikke wortels als stralen.
Wat is dit? vroeg ze.
Een boom voor steden zonder bomen. Zelf bedacht. Bestaat nog niet maar misschien dat jij planten kunt terugbrengen, als urbanist.
Daarna liep hij weg. Keek niet om. Maar even twijfelde hij bij de hoek, alsof hij bijna terugkwam.
Met de tekening in haar hand dacht Myrthe: misschien is iemand met wie je stil kan zijn, juist de persoon met wie stilte meer zegt dan woorden. En dat die man net de hoek om was gegaan. Met haar briefje in zijn zak.
Ze pakte haar mobiel.
Dank voor de boom. Ik ga hem planten.
Antwoord binnen een minuut:
Ik meen het. Als ik een ontwerp heb voor vergroening, mag jij het als wetenschapper beoordelen?
Graag.
Dan heb ik je adres in Amsterdam nodig. Ik stuur mijn tekeningen ouderwets op papier.
Ze glimlachte, typte haar adres. Stuurde het op. Voegde toe:
Let op, brievenbus is klein; voor grote ontwerpen moet je het zelf komen brengen.
En direct kwam het antwoord:
Afgesproken.
Ze legde de telefoon weg. In de kamer naast haar stond de tv zachtjes aan; het geluid van nieuwslezers drong door de muur. Een gewone avond in een gewoon hotel. Maar iets was anders Myrthe kon niet precies zeggen wat. Tot ze besefte: ze glimlachte zomaar. Zonder reden. Of beter met een reden. Maar zon vreemde, ze kon hem haar moeder nooit uitleggen: Mijn koffer verwisseld, en zo iemand ontmoet. Het klonk als het begin van een slechte film.
Ze opende haar koffer, zocht het zijvakje op en haalde een onbeschreven vel en een pen tevoorschijn. Hetzelfde vak als waar die onvoltooide brief had gezeten. Die brief heeft nu Tom. Hij gaf m niet terug. Ze had het niet gevraagd.
Myrthe ging aan tafel zitten. Legde het papier neer en schreef:
Beste onbekende, ik droom ervan iemand te ontmoeten bij wie ik kan zwijgen. Niet omdat er niets te zeggen valt, maar omdat het ook zonder woorden klopt. Ik ben moe van uitleggen wie ik ben. Moe van zinnen kiezen. Ik wil dat iemand gewoon naar mijn boekenplank kijkt en het snapt. Ik wil dat iemand…
Ze keek naar de tekening die aan haar wand hing.
En schreef nog één woord.
Tom.
Ze vouwde het vel, stopte het in haar koffer. Precies in dat zijvak. De cirkel was rond.
Buiten ruiste de Maas. Maart in Rotterdam rook naar natte aarde en een lente die al beloofd werd, maar nog niet begonnen was. De regen was opgehouden en aan de horizon tekende zich een pastelroze streep tussen wolken en water.
Myrthe deed het licht uit. Morgen presentatie, met een jurk die twee dagen in een vreemde koffer had gelegen, voor een zaal vol vakgenoten over groen in de stad. Misschien zat op de derde rij een man die bomen tekent voor steden zonder bomen.
Overmorgen zouden ze samen wandelen. Hij beloofde haar het cederpad aan de overkant te laten zien, waar de ceders zo dicht bijeen staan dat hun kruinen samen een groene tunnel vormen. Vindt u vast interessant voor uw werk, schreef hij. En gewoon leuk.
Daarna weer Amsterdam. En Den Bosch. Verschillende steden, verschillende levens. Maar nu lag er een papieren ontwerp klaar om verstuurd te worden. En een adres. En een brief, eindelijk af.
De koffer stond bij de muur. Grijs, met kras op de linkerhoek. Dezelfde als gisteren maar alles eromheen anders.
De bagage is teruggevonden.






