Tijdens mijn vakantie in een kuuroord schreef ik me in voor een dansavond. Toen hij me zijn hand aanbood, verstijfde ik – het was mijn eerste vriendje van de middelbare school

Tijdens een zomervakantie, lang geleden, bracht ik een paar weken door in een kuuroord aan de Nederlandse kust. Ik besloot me aan te sluiten bij een dansavond, een gezellige ouderwetse danspartij die het hoogtepunt van de week beloofde te worden. Liefdesavonturen stonden niet op mijn lijstje; ik wilde gewoon even ontsnappen aan het alledaagse leven, genieten van livemuziek en me tussen het dansende publiek mengen. Gewoon weer even zorgeloos.

De balzaal was vol; het geroezemoes van stemmen mengde zich met het warme geluid van de saxofonist. In mijn lichtblauwe zomerjurk voelde ik me bijna weer een tiener, alsof ik voor het eerst naar de schoolfuif op de havo ging. Ineens voelde ik een hand op mijn schouder rusten.

“Mag ik deze dans?” klonk een vriendelijke, bekende mannenstem achter me. Ik draaide me glimlachend om, klaar om een onbekende te volgen maar ik stond oog in oog met een gezicht dat ik veertig jaar niet had gezien. De tijd leek stil te staan.

Daar stond Roel, mijn allereerste vriendje van de middelbare school. De jongen die vroeger verlegen gedichtjes voor me in de kantlijn van mijn schrift schreef en me altijd tot aan het tuinhek thuisbracht.

Mijn benen voelden ineens slap als stroop. “Roel?” fluisterde ik verbouwereerd. Hij lachte met dezelfde guitige blik als vroeger, toen we samen op de muur bij het schoolplein zaten. “Hallo, Godelief,” zei hij, of het gisteren nog was. “Wil je met me dansen?”

We liepen de dansvloer op terwijl het kleine orkest een oude swing begon te spelen. We dansten alsof we nooit waren gestopt Roel leidde zacht, precies zoals ik het prettig vond, zonder te trekken of duwen. Voor even voelde ik me weer achttien, het leven nog onbeschreven voor me.

Tijdens de pauze zochten we een tafeltje in de hoek van de zaal. De lucht was doordrenkt van parfum en opwinding. “Ik had nooit gedacht dat ik je nog eens zou tegenkomen,” zei Roel zacht. “Na het eindexamen ging alles zo snel studie, werk, verhuizingen. En voor je t weet zijn er veertig jaren voorbij.”

Ik vertelde hem over mijn huwelijk dat enkele jaren geleden eindigde, over mijn kinderen die inmiddels hun eigen leven leiden. Hij vertelde dat zijn vrouw drie jaar geleden overleden was en hoe moeilijk het was geweest om zijn draai te vinden in het alleen zijn. Terwijl we praatten, merkte ik hoe vertrouwd onze gesprekken nog altijd voelden, met dezelfde inside jokes, halve woorden en veelzeggende blikken.

De muziek begon opnieuw en Roel stak zwijgzaam zijn hand uit. “Nog één dans?” vroeg hij. Zo gleed het hele avondje voorbij dans na dans, gesprek na gesprek. We wisten beiden dat dit geen doorsnee ontmoeting was tussen twee kuurgasten. Hier stond zoveel meer op het spel.

Later die avond liepen we het balkon op. Een lichte mist hing boven de duinen, terwijl de grote lampen langs de boulevard warm goud licht over de zee wierpen. “Weet je nog,” fluisterde hij plotseling, dat ik ooit grappend beloofde: wij dansen samen als we zestig zijn? Ik bleef stokstijf staan. Die oude weddenschap, lang geleden en toen zo onwerkelijk, was ik allang vergeten. “En kijk,” lachte Roel, “ik heb woord gehouden.”

Mijn keel kneep samen. Heel mijn leven dacht ik dat eerste liefdes juist zo bijzonder zijn omdat ze eindigen. Dat ze hun glans verliezen als je ze laat voortduren. Maar nu stond Roel voor me, met zilveren haren en lachlijntjes rond zijn ogen, en ik zag nog steeds diezelfde jongen van toen.

Met bonzend hart liep ik naar mijn kamer. Ik wist dat dit geen toeval was. Soms geeft het lot je een tweede kans niet om het verleden opnieuw te beleven, maar om het nu eindelijk ten volle te omarmen.

Misschien was dat waarom ik de volgende ochtend geen moment twijfelde toen Roel voorstelde om samen een wandeling te maken langs het strand. De zon kwam net op, kleurde de zee goud en roze. De oever was vrijwel leeg, enkel een ouder echtpaar bukte in de verte om schelpen te zoeken en meeuwen cirkelden boven de branding.

We liepen langzaam, blootsvoets, het koude Noordzeewater stroomde over onze voeten. Roel vertelde over zijn omzwervingen na de middelbare school, over reizen die hem gelukkig moesten maken maar nooit het geluk brachten dat één glimlach uit de oude tijd hem gaf. Elk woord leek oude lagen stilte tussen ons weg te vegen.

Hij bukte plots, raapte een klein stukje barnsteen uit het natte zand en legde het in mijn hand. “Als kind dacht ik altijd dat barnsteen brokjes zon zijn, die in zee zijn gevallen,” zei hij met een glimlach. “Misschien wordt deze jouw talisman.”

Ik sloot het warme steentje in mijn hand. In Roel zag ik niet alleen de man die hij geworden was, maar ook de jongen die ooit de wereld luchtiger en lichter deed lijken.

Onze tocht duurde uren, hoewel het voelde als enkele minuten. Op de terugweg speelde de wind met mijn haar en Roel streek telkens zorgvuldig een lok uit mijn gezicht, net als vroeger. Toen begreep ik: ik wil dit geen sentimenteel avontuur laten zijn. Ik wil het laten groeien, echt en open ongeacht wat de toekomst brengt.

s Avonds, samen op het terras van het kuuroord, zagen we de zon verdwijnen achter de horizon. Er werd niets groots gezegd. Alleen stilte, waarin ik me geborgen voelde. Roel legde zijn hand op de mijne en fluisterde: “Misschien lacht het leven je wel twee keer toe.” Voor het eerst in jaren geloofde ik dat het waar kon zijn.

Rate article