Zelfingenomen Egoïst

Wat een saaie boel

Albert lag languit op de bank als een reusachtige paling die eindelijk rust had gevonden op de bodem van de Noordzee. Zijn hand vond automatisch de kom met kroepoek want chips bestonden vandaag uit geurende, krokante kroepoek en hij liet ze traag door zijn vingers glijden, alsof hij zand in Scheveningen voelde. Vanuit zijn ooghoek klikte hij met de afstandsbediening: de televisie sprong aan boven een oranje pluche vosje. Flitsende beelden van een schaatswedstrijd in Thialf knalden levendig over het scherm; stemmen van commentatoren bulderden als een zomerstorm over het IJsselmeer. Met een vette zucht die klonk als het geknor van een tevreden varken op de Veluwe wierp hij een blik op het wandklokje in de vorm van een blokje kaas. Merel zou over ongeveer een uur thuis zijn van de hockeytraining.

Ze hadden elkaar ontmoet, precies één jaar geleden, in een klein Amsterdams eetcafé vlakbij het sportpark.

Merel driftte naar binnen, haar wangen rozig van de tegenwind. Ze snoof opgelucht de frisse geur van koffiemelkschuim op, blij verlost te zijn van het natte fietsweer. Bij de bar bestelde ze muntthee want koffie had ze al te veel gehad en speurde naar een vrij tafeltje.

Bijna gelijktijdig kwam ook Albert binnen. In zijn hand een linnen map vol rapporten; zijn ogen leken te drijven in een moeras van kantoorvermoeidheid. Zonder aarzelen bestelde hij een broodje kroket met friet, gooide zijn map op een tafeltje aan het raam en plofte neer als een ouderwets kussen. Ongeduldig trommelde hij met zijn vingers op het Formica blad.

Terwijl Merel haar thee pakte en haar weg probeerde te vinden langs een stel kwetterende studenten, stond Albert op om zijn telefoon uit zijn jaszak te vissen. Met de logica van een droom draaide hij zich tegelijkertijd met haar om; plots tikte zijn sinaasappelsap haar trui vol.

O jee, sorry! Zei Albert, onverwacht rechtop schietend, vuurrood als een dikke tomaat uit Westland. Driftig viste hij een servet uit zijn broekzak en duwde het haar toe, zonder goed haar natte trui te durven aankijken.

Geeft niks, lachte Merel, verrassend luchtig. Een sinaasappelvlek doet niemand kwaad.

Deze ontspannen glimlach, als een lege gracht in de ochtendzon, kalmeerde Albert onmiddellijk. Hij ademde diep uit, alsof de herfstwind zijn zorgen meenam.

Mag ik je dan misschien uitnodigen voor een stukje appeltaart erbij? stamelde hij, met de beleefdheid van een oude heer in een Delfts blauw verhaal.

Haar ogen fonkelden ondeugend terwijl ze het servetje aannam.

Nou, als je zo aandringt Dan neem ik een klein puntje cheesecake. Daar ben ik al weken nieuwsgierig naar.

Deal! Albert grijnsde opgelucht, als iemand die zojuist zijn fiets niet heeft zien stelen op het Museumplein. Ik wacht ondertussen op mijn broodje kroket. Dat moet ik echt even hebben na zon dag

Begrijp ik helemaal, knikte Merel. Na de training is thee meestal genoeg, maar jouw kroket ruikt wel erg lekker

Wil je anders iets proeven? Of een lekkere amandelkoek erbij? Of neem anders een bolletje ijs…

Vooruit dan, een bolletje ijs, zei Merel plechtig. Maar alleen omdat je je zo heerlijk ongemakkelijk verontschuldigt!

Ik ben trouwens Albert.

Merel, antwoordde ze, haar hand uitsteken als een elegante reiger bij Kinderdijk. Aangenaam.

Hun eerste maanden verliepen licht als een lenteavond in de polder. Merel liet Alberts gewoontes ongemoeid, lachte ongedwongen om zijn moppen en at op zaterdag stiekem een puntje pizza waar Albert zo dol op was hij bestelde altijd extra veel, voor het geval de buren langskomen. Hij voelde zich gezegend: een vrolijke, mooie vrouw die hem accepteerde zoals hij was, zonder het verlangen hem te veranderen. Het voelde als thuiskomen op een stormachtige dag; een zeldzame rust.

Langzaam kroop een kruimel onrust hun relatie binnen. Merel sprak steeds vaker over gezond leven. Ze had een passie voor havermout met appelstroop, nam hem kwiek op vrijdagmorgen mee voor een wandeling door het Vondelpark. Stel je voor, zei ze, de lucht is ijl, de eenden zijn nog alles vergeten… Maar Albert wuifde het weg, al glimlachend: Komt wel, later misschien. Zijn avonden met Netflix en kroepoek en de stilte waar zelfs de tram niet overheen kon denderen wilde hij niet ruilen voor een vroege ochtend.

Toch kwam de verandering als een windvlaag onder de deuren door.

Winter brak zijn vaste rituelen. De broeken werden krapper rond zijn middel; overhemden gingen trekken over zijn buik als nat wasgoed over een lijn. Een keertje, toen hij de trap op strompelde op kantoor aan de Herengracht, greep hij naar zijn borst, onaangenaam bewust van zijn snellere ademhaling. Een vreemd gevoel trok door zijn longen was het spanning, vrees, of gewoon de scherpe lucht van buiten?

s Avonds merkte Merel zijn bleke gezicht op terwijl ze samen op hun oranje bankje zaten. Ze schonk hem een glas water in.

Gaat het, Albert? Je ziet zo beroerd.

Is niks, gewoon drukte vandaag, gebaarde hij achteloos.

Maar je ademt zwaarder, dat zeg je al vaker. En je bord bleef praktisch vol bij het eten. Dat ben jij niet!

Albert streek met zijn hand over zijn gezicht.

Ja, ik heb het wat benauwd. Maar dat komt vast door vermoeidheid.

Albert dit is niet de eerste keer. We kunnen wel even bij de huisarts langsgaan? Ik ga mee, als je wilt.

Hij keek uit het raam naar waar een dromerig stel op fietsen voorbij zoefde.

Goed dan. Maar beloof me niet te panikeren.

Uiteraard. We zoeken het gewoon samen uit.

Op Merels aandringen bezocht Albert de huisarts. De dokter een vrouw met een stem als een zachte regenbui over het IJ was resoluut: Albert, het is echt tijd om beter voor jezelf te zorgen! Minder suiker, meer beweging. Het leven is te mooi om te laten liggen! Zij schilderde een toekomst waar zijn lichaam niet meer wilde meewerken. Albert huiverde even, als in een nachtmerie die te dichtbij voelde.

Merel zag de adviezen van de dokter als een perfect draaiboek. Ze stelde een maaltijdschema op met volkorenbrood, haring, en eindeloze hoeveelheden rauwkost. Ze haalde een personal trainer naar hun huisboot op de Amstel minder drempels, vond Merel en stopte hun koelkast vol magere yoghurt, broccoli, en plakjes kipfilet. Dingen als vette friet, kant-en-klare kipshoarma en sappen verdwenen als schepen aan de horizon. In plaats daarvan kwamen havermout, water en salade.

De eerste weken werd Albert wakker in een mist van chagrijn. Havermout op water? Dit is geen ontbijten, dit is vrijwilligerswerk voor eenden! En die training Zijn benen protesteerden als poldermolens met tegenwind. Soms grapte hij zuur: Fitness is voor jonge Amsterdammers, niet voor kantoormensen met rugpijn.

Toch, beetje bij beetje, veranderde Albert. Plots nam hij met gemak trappen, bij de tramhalte was hij niet meer buiten adem. Zijn spijkerbroeken gleden plots soepeltjes over zijn benen en als hij in de spiegel keek, leek zijn gezicht helderder minder ochtendnevel, meer ochtendzon. Een half jaar later was hij vijftien kilo lichter, zijn lijf voelde als een nieuw geboren polderlandschap: open, fris, vol ruimte. De avondjes met Netflix bleven, maar er kwamen ochtenden bij met frisse lucht; een nieuwe gewoonte nestelde zich.

Merel kocht nieuwe kleren voor hem eerst na grondige analyse (Blauw werkt beter op jou dan grijs!) van een verkoper op de Kalverstraat die glunderde bij de opdracht. Albert droeg plots nette broeken die zijn nieuwe benen flatterend volgden. Shirts waar hij zich ooit in verschool zaten als gegoten en deden hem langer lijken. Hij verwisselde zijn kapsel voor een eigentijdse coupe bij een kapperszaak waar de geur van koffie versmolt met scheerschuim. Merel gaf hem een potje dagcrème cadeau: Albert lachte erom, maar merkte na een week dat zijn huid niet meer jeukte.

Mensen keken anders naar hem. In de metro keek een meisje hem net iets langer aan, bij het koffiezetapparaat op kantoor complimenteerden collegas hem met zijn prestatie: Zo, heb jij een dieetcoach? Op een lome namiddag in het café stak een onbekende vrouw haar hand uit. Sorry, weet jij een goed lunchtentje hier in de buurt? Voor hij het wist, vroeg zij zijn nummer. Haar ogen vonkten. Ik houd wel van mensen met lef, zei ze.

In Albert groeide een nieuw soort trots, als vlammetjes in de mist. Hij durfde grapjes te maken bij de lunch op kantoor, voelde zich op het strand niet meer opgelaten, alsof hij elk moment een ouderwetse zwembroek zou moeten aantrekken. Elk compliment voelde als een warme windvlaag in de lente. Toch veranderde er stilletjes iets in hem. Hoe meer hij naar buiten keek, hoe minder hij terugkeek. Zijn gedachten raakten los van de avonden dat hij hijgend de trap op moest, de ochtenden dat Merel hem bemoedigend een schaaltje yoghurt aanreikte, de eindeloze weken dat zij niet toegaf aan zijn chagrijn over sporten. Die herinneringen leken te verbleken tot oude fotos in een vergeten album.

Op een avond kwam Merel dansend binnen, licht als een kat over een onzichtbaar pad.

Moet je horen! De trainer heeft een toffe nieuwe oefening voor mijn rug bedacht! Wil ik je graag laten zien, je zult het geweldig vinden!

Albert, verdiept in een surrealistische serie over verdwijnende grachten, wuifde haar weg.

We kunnen het vanavond misschien even niet over sport hebben? Ik wil graag rust.

Merel liet zich niet ontmoedigen. Ik wil het alleen maar delen. Een gezonde rug is voor jou ook fijn, toch?

Albert zette de tv uit, keek haar zelfverzekerd aan.

Ik heb dat niet meer nodig, hoor. Kijk nou wat je voor me hebt bereikt maar ik red het nu zelf wel.

Meen je dat echt? zei Merel zacht, zichtbaar verbijsterd door zijn afstand.

Albert grijnsde de grijns van een man die plots denkt dat hij alles bezit.

Zie je niet wie ik ben geworden? Niet die sullige gozer van toen. Op straat roepen meiden me na. Ik hoef alleen maar te kiezen.

Bedoel je dat nu echt zo? vroeg Merel, en in haar ogen was geen woede maar iets wat Albert niet kende: afstand, nadenken, onverschilligheid bijna.

Je zou best wat liever kunnen zijn. Steun me gewoon, wees trots in plaats van te zeuren over gezond dit en fit dat. Ik kan het nu.

Merel liet de stilte groeien, stond op, keek uit het raam naar de zwiepende wind die de bomen deed dansen aan de overkant van de straat.

Weet je, ik dacht dat ik je hielp voor je eigen geluk. Ik hoopte dat je je energieker zou voelen, gelukkiger zou zijn. Maar ik heb me blijkbaar vergist.

Ben je boos, nu? probeerde Albert zijn nonchalante toon te herwinnen.

Maar Merel draaide zich om, haar blik doorspekt met een oud verdriet.

Mag ik niet boos zijn? Alles wat ik deed, deed ik uit liefde. En nu ben jij vooral druk met hoeveel vrouwen je kunt kiezen. Moet ik dat echt bewonderen?

Albert ging verder op zijn droomachtige vasthoudendheid: Je bent niet de enige die mij kan hebben, hoor! Ik zie het allemaal rooskleurig in.

Denk je echt dat je zo elke vrouw krijgt? Je beseft toch dat als je je niet blijft inzetten, je lichaam weer terug verandert? Geloof je dat iemand zo blijft hangen?

Albert ergerde zich. Haar rust zat hem dwars.

Ja, echt! Met dit lijf, deze uitstraling! Niemand die me laat lopen…

Hij wist zelf ook wel dat hij overdreef, maar het was alsof woorden losraakten van bedoelingen, alles draaide in cirkels: als een fietstocht door het duin waar je steeds weer uitkomt bij dezelfde strandopgang.

Merel antwoordde niet meer. Ze stond plots op, liep naar de slaapkamer, haar schaduwen lang en slap over de vloer. Dit was geen ruzie meer; het was een afscheid met de logica van een schilderij van Escher.

Zonder te dralen begon ze zijn spullen te verzamelen. Overhemden keurig gevouwen, spijkerbroeken opgerold, sokken bij elkaar geraapt en alles in de sporttas waar vorig jaar nog hun strandspullen in zaten. Albert volgde haar als een verdwaalde gans.

Wat doe je? zijn stem sloeg over, onvaste akkoorden in een verder stilte muziekstuk.

Je wilde vrijheid? Hier, neem maar, zei Merel kalm, alsof ze het huishouden deed, niet zijn leven opdeelde.

Met een bijna komische precisie nam ze de tas mee naar het balkon en gooide hem in een boogje naar het grasveld onder. Tussen de fietswrakken en speeltoestellen plofte de tas. Een overhemd bleef hangen aan een tak van een klimrozenstruik, een enkelsok lag op het stoeptegelpad als een vergeten haring. Het had een onwerkelijke schoonheid, die tas, zo opengereten op het natte gras.

Wat doe je? Mijn spullen! Alberts stem denderde over het balkon, de echo versmolt met het geruis van de stad.

Je hebt geen reden meer te blijven, toch? fluisterde Merel. Laat maar zien hoe geweldig je bent nu.

Albert bleef stokstijf in het midden van de kamer staan. In zijn hoofd draaide alles als een draaimolen op de Dam. De scène die hij verwachtte dat Merel om hem zou huilen, excuses zou maken, hem zou smeken te blijven bleef uit. Geen drama, geen theater, alleen een vastberaden stilte.

Merel… probeerde hij, bang ineens voor wat hij zelf had veroorzaakt.

Maar zij stond al bij de voordeur, haar silhouet scherp afgetekend tegen het geel-witte licht in de gang.

Vaarwel, Albert. Je kan je spullen morgen om acht uur ophalen, ik zet ze buiten. Niet te laat, anders zijn ze weg.

Buiten was de lucht knisperend koud. Met zijn tas onder zijn arm, liep Albert over het natte stoepje, de lantaarns spiegelden zich in plassen als gouden pannenkoeken. Hij raapte zijn sokken en een verkeerd gevouwen overhemd op, keek omhoog naar het raam waarachter ooit hun leven had gespeeld.

Hij hoopte op iets dat de deur zou openslaan, dat Merel hem zou roepen, vergeving zou aanbieden, samen zouden kunnen lachen om de absurditeit. Maar de straat zweeg.

Hij zakte neer op een koude bank, zijn spullen bij zich, de avondlucht om hem heen als een stille deken. Wat was hij kwijtgeraakt? In gedachten dwarrelde hij langs de momenten, als een schaatser op een plas die steeds verder uit het midden raakt. Haar lachen toen hij vijf kilometer rende. Haar geduld toen hij geneuzel maakte over bleekselderij. Haar zekerheid toen hij zichzelf niet meer zag zitten.

Nu pas zag hij het: zij had altijd geloofd dat hij kon veranderen, zelfs toen hij het zelf niet geloofde. Haar bemoeienis was geen bemoeiing het was liefde in een fluisterstem.

En hij? Hij had haar verwarring aangezien voor dwang, haar zorgen voor gezeur, haar liefde voor een zwaktebod. Hij dacht dat hij aan de buitenkant alles veranderde, maar vanbinnen draaide alles stiller rond dan ooit.

De wind kroop onder zijn jas, de koude voelde als mist op een vroege ochtend. Hij bekeek zijn tas dure kleding, sterke schoenen, alles wat hij zich kon wensen. Maar vanbinnen was iets veel wezenlijkers verdwenen.

Langzaam stond hij op. Zijn voetstappen klonken in de holte van zijn eenzaamheid. Hij had alles, behalve dat wat telde.

En voor het eerst was hij écht bang bang dat terugvinden van wat hij had verloren, onmogelijk was. Dat het altijd eenvoudiger is om kilos kwijt te raken dan je hart terug te winnen.

Rate article