Verraad verscholen achter het masker van vriendschap

Verraad onder het masker van vriendschap

De winter had besloten haar volle glorie over Nederland uit te storten: sneeuwvlokken zo dik als boterhammen, dwarrelden eindeloos door de lucht en maakten de straten van Utrecht tot een surrealistisch sprookje. De grachten leken te sluimeren onder hun deken van wit, daken glansden van vers poeder, en de vorst blies de lucht zo fris en glashelder dat elk geluid leek te worden weggefilterd.

In het appartement van Maarten en Lieve heerste een totaal andere sfeer. Achter het grote raam ontvouwde zich een witte schim van de werkelijkheid, terwijl binnen afgesneden door dubbele ruiten en zware gordijnen het aangenaam warm en behaaglijk bleef. De oude staande lamp verspreidde zacht, diffuus licht, dat als honing rond de bank dreef en de kou buiten hield.

Het paar lag onder een wollige plaid op de bank, beide voeten stekend in dikke sokken. De televisie zond een ouderwetse Nederlandse familiefilm uit, het soort dat je al lang niet meer met aandacht volgt, maar waar je om lacht uit gewoonte. Lieve tuurde naar het scherm en liet soms een kort glimlachje zien aan gedachten die tussen de sneeuwvlokken zweefden. Maarten zat naast haar, zijn blik schoot heen en weer tussen film en het hypnotiserende sneeuwlandschap buiten. Het was alsof de wereld slechts een coulisse was, en alleen hun huiskamer telde.

De stilte werd plots doorbroken door een melodieuze trilling: Maartens telefoon. Hij reageerde traag, zon dromerige traagheid die je zelfs in dromen kent, waar handelingen zich uitrekken als kauwgum. Toen de telefoon bleef rinkelen, streelde hij zuchtend zijn mobieltje uit zijn broekzak, keek op het scherm en slaakte opnieuw een zucht.

Opnieuw Bas, zei hij tegen Lieve, zachtjes, alsof het even goed een code kon zijn. Dat is al de derde keer vanavond.

Lieve draaide haar hoofd een fractie naar hem, hield haar ogen op de film en ademde: Hij wil zeker dat we langskomen. Sinds hij dat chaletje bij Apeldoorn heeft, blijft hij drammen. Typisch Bas, nee hoort hij niet.

Maarten nam op, de handeling zich voortslepend als een scène op VHS.

Ja, Bas, goeie avond, zei hij met een opgewektheid die nauwelijks echt klonk.

Maarten! Wanneer komen jullie nou? Dit moeten we vieren, die aankoop bij de Veluwe! Alles staat klaar: de houtkachel brandt, bitterballen en kaas op tafel, en iedereen is al onderweg. Kom op, pak Lieve mee en maak er een ouderwets gezellige boel van!

Er klonk korte vertwijfeling in Maartens hoofd zin in gedruis had hij niet. Hij keek naar Lieve. Haar hoofdknik was miniem, maar duidelijk: vandaag liever geen stampei, geen muziek, geen borrelpraat. Rust was wat ze zochten, geen Veluwse drukte.

Maarten liet zich leiden door een ingeving die zich opstapelde als droomlogica: hij loog zonder schuldgevoel.

Joh, weet je Lieve is een paar dagen bij haar moeder in Den Bosch. Alleen rijden zie ik niet zitten. Je weet hoe ze kan reageren als er iets geks gebeurt een misverstand is zo geboren. Maar Bas, we doen het écht snel een keer!

Korte stilte bij Bas, dan een verbaasd: Bij haar moeder? Wanneer is ze weer terug then?

Morgenavond. Het was ineens zo besloten. Jammer joh, we hadden nog naar het theater willen gaan, langs t Wilhelminapark, misschien schaatsen op de singel Maar goed, komt goed, oké?

Bas klonk ineens licht opgetogen. Hou me op de hoogte, Maarten! Wil jullie écht zien!

Deal, ik laat het weten. Misschien volgend weekend.

Zodra Maarten de telefoon neerlegde, kwam er een flauwe glimlach op zijn gezicht.

Nou, dát was op het nippertje, mompelde hij. Waarom is hij altijd zo hardnekkig? Heb ik ooit gezegd dat ik met hem en zijn zuipende maten in een boshut wil hangen?

Lieve nestelde zich dieper tegen hem aan. De kamer werd weer gevuld met lamplicht, het trage ritme van een zwart-wit film en het zachte tikken van de oude koekoeksklok. Buiten viel de sneeuw in traag vertraagde patronen. In deze cocon bestond haast niet.

Het is hier zo goed, fluisterde ze. Laten we gewoon film kijken en daarna slapen. Wat wil je nog meer?

Maarten knikte, zoals je dat doet in een droom: vanzelfsprekend en traag. Hij zag het al voor zich hoe ze straks samen zouden verdwijnen onder dons en wol, met het gekraak van sneeuw in de verte als hun slaaplied.

Tot de telefoon voor de tweede keer die avond die verstilde droom verbrak. En weer was het Bas.

Met tegenzin keek Maarten op het scherm, zijn vingers voelden koud en ongecontroleerd.

Bas, ik zei net begon hij, wanhoop in zijn stem.

Maarten, luister: ik zit nu in club Kristal, vlakbij Leidseplein. Daar hebben we voorpret voordat we naar de Veluwe gaan. Maar nu je raadt het niet: Lieve is hier! Met een vent, ze drinken, zij hangt aan zijn arm. Ik dacht: moet ik ingrijpen of niet? Maar ik meld dit, omdat jij recht hebt het te weten. Jíj denkt dat je vrouw bij haar moeder zit?

Maarten werd koud. Zijn blik ging van zijn vrouw, die pal naast hem zat, naar het beeld op televisie, dan weer naar zijn eigen hand.

Wat zeg je nou? Heb je haar niet met iemand anders verward? Ze zit hier gewoon!

Nee, honderd procent zeker. Ze is dronken, lacht luid, en het boeit haar niets dat ik erbij sta. Wil je haar aan de lijn?

Maarten slikt, doet grote moeite om kalmte te bewaren, en knikt in deze droomlogica maakt het niets uit of Bas dat kan zien.

Laat maar horen, zegt hij terwijl hij op de speaker drukt.

Onmiddellijk vult vage housemuziek de kamer, gelach en het gebrom van stemmen. En dan, een stem die gemaakt is om Lieve te zijn tot op het timbre, tot aan de manier van spreken.

Hallo? Met wie spreek ik? klinkt het onvast van de telefoon.

Lieve kijkt Maarten aan, haar ogen groot en helder van verbijstering.

Lieve? vraagt hij, stem vlak als een net besneeuwde gracht. Dit is Maarten. Wat is daar aan de hand?

Och Maarten, wat boeit het? giechelt het stemgeluid. Ik Ben het prediken van rust zat. Ik wil genieten, voel je dat niet? Nooit meer die brave burgerlijkheid van jou.

Lieve springt op, haar huid zo bleek als de sneeuw buiten. Ze drukt een hand tegen haar borst, haar ademhaling gejaagd.

Wat is dit voor onzin? Wie doet zich hier voor als ik? En hoe kent ze jouw naam? Wat gebeurt hier?

En waar ben je dan? klinkt het stemgeluid met een venijnige overtreding.

Wat kan jou dat schelen? Zelfs als ik je vrouw ben, hoef ik me niet te verantwoorden. Ik doe wat ik wil!

Bierglazen rinkelen, gelach zwelt aan. Bas mengt zich in het gesprek: Hoor je het nu Maarten? Zeg niet dat ik niets zei

Maarten kapt het resoluut af. Een vreemde mengeling van woede en nieuwsgierigheid verwarmt zijn wangen.

Genoeg. Hier kom ik morgen op terug. Even geen telefoontjes meer, Bas.

Hij smijt zijn mobiel het hoekje van de bank in, kijkt verbijsterd naar het plafond. Als Lieve niet bij hem zat, zou hij het vast geloven.

Zijn handen trillen. Lieve laat zich zakken naast hem, haar hoofd zinkt in haar handen.

Die stem het lijkt idioot veel op mij. Maar het is zo doorzichtig, deze opzet! Iemand heeft haar goed geïnstrueerd.

Ik weet het niet, bromt Maarten, zijn ogen dwalen af naar een plek waar de logica in dromen verdwijnt. Zelfs hoe ze lacht, de intonatie Het klopt. Maar het kán geen toeval zijn.

En Bas Hij zegt het alsof hij zeker weet dat ik daar ben. Als ik daadwerkelijk niet thuis was, had je het dan geloofd? Lieves stem rilt.

Ik had het nooit geloofd, zegt Maarten vastbesloten. Daar ben ik te nuchter voor. Maar dit voelt als een slechte grap. Of erger. We zoeken het tot op de bodem uit.

Die avond, terwijl de sneeuw als pannenkoeken op de daken blijft vallen, verankeren ze zich opnieuw in stilte, de dekens over zich heen als beschermlaag. Hun kleine droom blijft intact, ondanks alles.

************************

De volgende ochtend, als de zon weerkaatst in een duizendvoud op de sneeuwvlokken, zit Lieve aan de keukentafel met haar laptop werkmails, theekopje, alles is op zijn plek. Tot haar telefoon weer trilt: Bas.

Ze twijfelt, voelt een lichte misselijkheid, maar neemt op. Nieuwsgierigheid wint het van angst.

Hallo? Bas stem is ineens voorzichtig.

Heb je met Maarten gesproken na gister? vraagt hij.

Lieve knijpt iets steviger in haar telefoon ze wil dit spel nú uitspelen.

Ja. We hebben flink ruzie gehad. Hij vertrouwt me niet meer, zegt dat ik alles lieg.

Even stilte. Dan Bas, zijn stem vreemd tevreden: Zie je? Maarten verdient jou helemaal niet. Hij heeft je nooit gewaardeerd.

Lieve voelt woede opkomen, maar haar stem blijft gecontroleerd, koel als de ijsvlakte langs de Vecht.

Hoezo? vraagt ze opzwepend vlak.

Bas zakt een octaaf, quasi vertrouwelijk, bijna jankend.

Lieve, ik moet het zeggen: ik ben verliefd op je. Dat ben ik altijd al geweest. Je verdient meer. Maarten begrijpt jou niet. Maar ik wel.

Het dringt als een koude wind door Lieve heen het is glashelder: Bas heeft alles opgezet omdat hij haar zelf wil bezitten.

Ze ademt diep, haar woorden scherp als een ijspegel.

Bas, dit past niet. Ik hou van Maarten. Dit tussen ons dat bestaat niet. Stop gewoon.

Sorry, misschien had ik het niet moeten zeggen. Maar weet dat je altijd bij mij terechtkan. Maarten heeft je beschuldigd! Hoe durft hij? Ik hoorde hem schreeuwen. Hij wil gewoon van je af! Je verdient iemand zoals ik!

Lieve balt haar vuist. Ze blijft ijzig kalm.

Weet je, Bas ik was gisteravond gewoon thuis. We hebben niet eens ruzie gehad. Je hebt alles zelf verzonnen. Je hebt dit opgezet door die vrouw in te huren, hè?

Onmiddellijke stilte. Dan klinkt er een half wanhopige, half trotse uitval: Ja! Ja, het was mijn plan. Omdat ik van je hou. Omdat ik je wil laten zien dat ik je beter kan geven. Het moest gewoon!

Lieve sluit haar ogen en corrigeert haar ademhaling.

Jij? Serieus? Je hebt mijn vertrouwen beschaamd. Dat jij dit liefde noemt? Voor mij ben je voorgoed iemand uit het verleden.

Bas snikt bijna zijn stem dof en zonder houvast.

Lieve, vergeef me

Maar Lieve is al verder, haar stem onverbiddelijk.

Nee Bas. Geen vergeving. Geen vriendschap. En laat Maarten ook met rust.

Ze verbreekt de verbinding, legt haar telefoon neer, hand trillend. Buiten valt de sneeuw gewoon verder alsof het drama binnen geen vat heeft op de wereld daarbuiten.

Maarten komt binnen. Hij ruikt direct onraad.

En? vraagt hij, zijn stem laag, zorgzaam.

Alles is duidelijk. Bas heeft alles verzonnen. Wilde jou en mij uit elkaar drijven. Omdat hij dacht dat ik voor hem zou vallen. Kan je het je voorstellen? Wat een lafaard

Maarten hurkt naast haar, neemt haar hand. Alleen het kneden ervan is een eeuwenoud gebaar.

Dus nooit een echte vriend geweest. Laat hem gaan, Lieve. Dat soort mensen moet je niet in je leven willen hebben. Die signalen waren er altijd al.

Precies, fluisterde ze. Nu hoeven we niet meer na te denken of we ergens heen moeten. Geen smoesjes meer. Alleen wij.

Ze glimlacht, haar ogen twinkelen achter een waas van tranen en opluchting.

Misschien is het zelfs beter zo. Er is nu niets of niemand die tussen ons in komt. Behalve onze eigen stomme fantasieën.

Maarten lacht vrijuit.

Heerlijk toch. Blijven we gewoon thuis, kopje thee erbij, film aan, niks meer aan doen.

En onder deze plaid.

Perfect.

Onder de draaikolken sneeuw en het zachte oranje licht van de lamp smelt hun wereld samen tot een warme bubbel. Buiten schuift de wind langs de grachten, binnen is er alleen het komen en gaan van hun ademhaling, en het stille weten: zij zijn genoeg.

*************************

Elders, in een Utrechtse keuken, zit Bas voor een koude kop thee en friemelt hij aan het oortje van zijn mok. In plaats van wroeging, groeit er iets anders: een kolkende, ijskoude boosheid.

Waarom zij, waarom Maarten? briest hij. Hij veegt de kruimels van zijn Liga-koekje ruw van tafel en stapt door de kamer, de stoelen schokkend.

Het klinkt in zijn hoofd als een kapotte cd: Bel me nooit meer. Deze nacht herkauwt hij alles van de ontmoeting met die actrice die op Lieve leek, tot het moment suprême in Kristal: zij haar rol spelend, Bas op de achtergrond, fantaserend dat Lieve nú eindelijk voor hem zou kiezen, als de droom dat zou willen.

Hij loopt naar het raam. Daar dwarrelt de sneeuw: geen mens, geen dier. Alleen hemzelf, de mislukking, zijn plannen aan flarden. Zijn vriendschap geruïneerd, zijn verlangens als rook opgaand in de nacht.

Toch gloeit er, ergens diep vanbinnen, een giftig restje hoop.

Jullie denken dat jullie alles gewonnen hebben Maar ooit ziet Lieve hoe het werkelijk zit. Dat zij niet thuishoort bij Maarten maar bij mij.

Hij fluistert het tegen de vallende sneeuwvlokken, verscheurt het papier met het draaiboek van zijn plan en keilt het in de prullenbak.

Sneeuwvlokken blijven vallen, als dromerige vissen door de lucht. In die koortsachtige droom gelooft Bas nog steeds, tegen beter weten in: dit had van hem moeten zijn. Hij was de enige die haar écht zag.

En terwijl de stad onder een knisperend wit laken verdwijnt, lost Bas op in een mist van eenzaamheid die zich als vorst rond zijn hart zet.

Rate article