De baby werd maar niet opgehaald uit het kraamhotel. Soms gebeurt dat. De moeder had afstand gedaan, en er was niemand die zich aanbood, alsof een klamme mist over de couveuse hing. Dus bleef de baby daar, tussen hoge ramen en het zachte gezoem van verplegers, en werd hij voorlopig in een leeg wiegje gelegd. Maar die plek beviel hem allerminst, hij zette het op een huilen dat door merg en been ging, zo hard dat de bellenblazers op de gracht buiten ervan trilden. Tot hij op een dag ineens zweeg.
Een verpleegkundige, Mariëlle van Dijk, schrok zich een hoedje. Ze vloog naar het wiegje, bang dat hij misschien was gestikt in zoveel geluidsverzet. Maar wat ze daar aantrof, was ronduit bizar: tegen hem aan lag Meneer Vos, de grote grijze kater die iedereen kende in de gangen van het Amsterdamse ziekenhuis. De kater liet zich nooit aaien, en op schoot gaan was een onbesproken taboe. Iedereen wist ook, eerlijk waar, dat die kater niets te zoeken had in een babyafdeling, en dat het eigenlijk streng verboden was. Maar probeer dat Meneer Vos maar eens duidelijk te maken, laat staan aan de medewerkers die hem met stroopwafels en stukjes haring verwende.
Dus, ondanks alle verbodsborden en dreigementen van ontslag door de directie, was de grijze kater een soort officiële therapeut geworden. Mariëlle probeerde Meneer Vos van het ledikant weg te jagen, maar het kleintje, Hugo geheten, klemde zich vast en gilde alsof er een orgel bespeeld werd in zijn borst. Heel de afdeling kwam aanrennen, als was het Sinterklaas die op bezoek kwam. Zelfs de strenge hoofdzuster, mevr. Van Roessel, vloekte zachtjes en aaide peinzend over de rug van de mysterieuze huisgenoot.
Daar lagen ze dan, samen een klein Hollands ventje vastgegrepen aan een dikke grijze kater. Soms schoot de kater even weg voor een harinkje of een korte wandeling over de koele tegels, en dan wachtte Hugo geduldig op de terugkeer van zijn harige papa. Uiteindelijk kwamen er mensen die de baby wilden adopteren, maar die zagen het absoluut niet zitten zonder de kater. Hij zuigt aan zn staart! riepen ze verschrikt. Tja, dat klopt, zuchtte Mariëlle. Maar wat kunnen we anders? Als je ze scheidt, krijst hij de sterren van de hemel en raakt buiten adem.
Het verhaal verspreidde zich als een lentebriesje door het ziekenhuis en zelfs daarbuiten. Naast nieuwsgierige collegas kwamen er nu andere stellen kijken, fotograferen en brengen bloemen voor Meneer Vos. Sommigen wilden beiden adopteren. Maar Meneer Vos wilde niet zomaar weg. Lacht u gerust, maar Hugo werd niet opgehaald tot de kater hem keurde en zijn goedkeuring aan de nieuwe ouders gaf.
Zo werden ze uiteindelijk samen mee naar buiten gedragen. De man droeg Meneer Vos in zijn armen, de vrouw hield Hugo dicht tegen zich aan. Iedereen kreeg waarnaar werd verlangd. Meneer Vos omhelsde de schouders van de man en legde zijn kop op diens linkerschouder alsof hij nooit iets anders had gedaan. Mariëlle keek toe, net als alle verpleegkundigen in hun blauwe schorten.
Zelfs de brombeer van een hoofdarts, Dr. van der Laan, kwam meelopen om afscheid te nemen. Hij knikte bedachtzaam en zei: Dit zijn goede mensen, echt waar. Ik weet waar ik het over heb thuis heb ik er vijf van dat soort boefjes. Die weten altijd wie het beste mens is.
En toen ging het stel de dromerige natte straat op, waar alles kabbelde, en leek het even of het leven in het ziekenhuis kneedbaar was als stroopwafeldeeg, en Meneer Vos de tijd een aai over de kop gaf.





