Veerle, een dromerig meisje, zag zichzelf als een schaduw in de gangen van het Amsterdamse kindertehuis. In haar droom was ze achttien toen ze zich als een verdwijnende mist verbond met Thomas, die haar meenam naar zijn flat vol oude Delfts blauwe tegels en een kat die Muis heette. Hoe moest ze een vrouw zijn? Ze kende niemand die getrouwd was. De wijsheid kwam van Thomas moeder, een moederfiguur die in haar droom leek te zweven tussen zorg en oordeel.
Veerle had de verhalen over ‘de schoonmoeder’ vaak gehoord, als echos in een kille keuken. Toch hoopte ze, omdat haar eigen moeder een vaag wolkje in haar geheugen was, dat Thomas moeder haar zou verwarmen als de lentewind vanuit de polder. Maar het was niet zo eenvoudig De schoonmoeder deelde haar ideeën als een klok die altijd een andere tijd aangeeft: “Als een man vreemdgaat, is dat de schuld van de vrouw,” zei ze, terwijl haar stem kabbelde als een Weesper grachtenwater.
Waarom? dacht Veerle. In haar logica was het altijd degene die de fout maakte, die schuldig was. Maar in deze droomwereld zei de schoonmoeder dat het lag aan t feit dat de vrouw zichzelf had laten gaan, dat haar aantrekkingskracht was verdampt. “Een echte Hollandse vrouw behoudt haar taille, zelfs als ze oud wordt,” riep ze, alsof ze een geheim recept voor appeltaart doorgaf. Veerle noteerde het in haar dagboek: Niet dik worden, en meldde zich aan bij een sportclub onder een windmolengordijn.
Veerle werd steeds dunner, bijna transparant, zo bang om uit haar gedaante te verdwijnen. Toen ze weer accepteerde dat fysiek werk nodig was, kreeg ze les: “In een normaal gezin werken beiden.” Veerle knikte alleen en dacht aan de drukke fietspaden van Utrecht. Ze zocht werk, alles was goed: kaasmarkt verkopen, stroopwafels maken, zelfs als oppas. Ze vroeg haar schoonmoeder hoe je moeders tijdens zwangerschapsverlof kon werken. Verlof is jouw probleem. Los het op zoals je wilt! zei ze als wind die geen richting kent.
Ze schreef dit niet op, maar toen haar baby er was, werkte ze halve dagen als oppas en voelde zich gelukkig. Maar Thomas en zijn moeder mopperden dat ze te weinig euros binnenbracht. Veerle wilde haar euros wel uitgeven aan een kappersbezoek, maar toen kwam er een nieuwe wijsheid: “Tijdens verlof hoef je niet mooi te zijn!” Prachtig zijn is voor later; nu bespaar je geld, want je euros groeien niet aan tulpenvelden.
Ze gaf haar geld aan Thomas. Er was een levensregel die de jaren als regenwolken door haar huwelijk trok: “Een goede vrouw doet alle huishoudelijke taken zelf.” En dat deed ze. Als een geest die dwaalde door de kamers, sliep ze nauwelijks. De uitputting liet haar dagelijks flauwvallen. Sterk als een oude dijk, zorgde ze voor alles, zelfs als de jongste om negen uur in slaap viel. Dan begon ze te poetsen, terwijl Thomas zijn tiende droom had over schaatsen op het IJ, want hij had gewerkt en was moe.
Het was logisch dat Veerle in het ziekenhuis belandde. Ze had nooit tijd om de zeurende pijntjes te voelen, nooit aandacht voor het begin van een ernstige ziekte. Twee weken lag ze tussen witte lakens, terwijl Thomas en zijn moeder geen enkele keer langskwamen. Gelukkig had haar mobieltje haar als enige houvast. Ze belde haar vriendin Saar, die haar alles bracht wat ze nodig had, van stroopwafels tot bloemen van het Jordaanplein.
Toen Veerle uit het ziekenhuis kwam, besloot ze meteen haar vrijheid te pakken. Haar droom eindigde als het geluid van een fietsbel: ze diende de scheidingspapieren in bij het Amsterdamse stadhuis, terwijl Muis aan haar voeten spinde en de wind haar haar liet dansen, als herinnering aan wat ze zelf waard was.






