Mijn man groeide op in een warm, vrolijk gezin aan de rand van Utrecht, waar de lucht altijd een beetje zoet rook en de eenden over de grachten drijvend fluisterden over vergeten dromen. Toen zijn vader, Bram van Dijk, 57 werd, gleed zijn vrouw, onze lieve Maartje, als een schaduw uit het leven weg. Het verdriet bleef in het huis hangen als een mist, niet weg te vegen met ramen open of handschoenen aan.
Uit pure logica, tussen haring happen en het wisselen van euro’s, besloten we Brams appartement te verkopen. De opbrengst deelden we, elk kreeg een stuk papier met getallen, en Bram kwam bij ons wonenonze kleine woning in Amersfoort, waar de muren soms leken te golven van de onverwachte aanwezigheid. Misschien, zo dachten we in een nacht vol stroopwafeldromen, zou hij binnen zes maanden weer een stek vinden voor zichzelf, maar dat gebeurde niet. Hij leek de gezelligheid en het gemak te omarmen; de tijd vermengde zich met de geur van erwtensoep en verse lakens.
Bram deed geen cent bij voor boodschappen of gemeentebelasting. Hij kuste de wind als hij naar zijn werk fietste, maar thuis kookte ik voor hem, waste zijn bonte sokken, poetste zijn kamer, terwijl hij in zijn vrije uren de krant openvouwde en vogels telde op het balkon. Zijn leven kreeg de glans van een vakantie aan de Noordzee, elke dag een nieuwe golf.
Zo gingen elf jaren voorbij, een parade van seizoenen, totdat Bram plotseling begon te wijzen met zijn vingerwat we moesten doen en hoe, regels verzinnen als een kind dat een hut bouwt uit oude stoelen. Onze geduld raakte op. We besloten om een huis voor hem te kopen aan de rand van Amsterdam, een plek waar de bakstenen ‘s avonds rood gloeien en de tramfluittonen door het raam trillen.
We regelden alles: hypotheek, gordijnen, internet en zelfs een pak stroopwafels in de kast. Maar Bram begon te vertellen over hartkloppingen en vage pijn, verhalen die vloeiden als slootwater. Elke keer kwam hij terug met nog een droom, een excuus om bij ons te blijven, terwijl wij verlangden naar stilte en ruimte voor onze eigen gezinsleven, voor de nachten vol wind en vrijheid.
Ik ben moe, als een mol die te lang onder de grond heeft gewoond. Wat moet ik doen?






