Blonde vrouw schreeuwde tegen haar oma, die niet wist wat ze moest doen. Een minuut later kwam een keurige heer in pak het gebouw uit.

Liesbeth was ooit wiskundelerares. Op een ochtend werd ze vrolijk wakker; haar dierbare vriendin Guusje had vandaag haar verjaardag, en Liesbeth had besloten haar te verrassen. Ze werkten samen op dezelfde school, bijna veertig jaar lang, als onafscheidelijke kanaries in een surrealistische kooi. Liesbeth streek haar favoriete blouse en rok, want op deze bijzondere dag wilde ze er extra chique uitzien. Ze kleedde zich aan en verliet haar huis.

Buiten was de wereld veranderd: de straten van Haarlem schitterden van de regendruppels en overal rondom lagen diepe plassen die spiegeltjes van lucht vormden. Liesbeth liep droomachtig naar de bakker en bloemenwinkel, waar alles rook naar zoet deeg en vers gras. Ze kocht een groot taartje en een boeket tulpen. Net toen ze de winkel verliet, gleed een glanzende auto langs haar heen, bestuurd door een statige blondine met een mysterieuze glimlach. De wielen ploften in een plas, en een watermuur zo hoog als een Amsterdams grachtenhuis spoelde over arme Liesbeth heen. Haar rok, de tulpen en zelfs het taartje kregen een douche van grijze plens.

De blondine draaide haar raam omlaag en haar stem klonk als een klok uit een droom: Sorry mevrouw, maar op dit uur horen alle omas binnen te zijn, niet buiten om nat te worden! Ik had belangrijke afspraken te regelen, u moet zich schamen!
“En waarvoor moet ik me schamen?” vroeg Liesbeth, haar stem een echo van een verleden winter.
“Voor het niet snappen waar je loopt; je bent zélf langs die plas gegaan, dat is jouw schuld.”

Terwijl de woorden uit de lucht zweefden, liep er een nette man in pak vanuit een statig pand aan de overkant. De blondine trok nu een glimlach zo breed als een haringkar.
“Wat is hier aan de hand?” vroeg hij, zijn stem hol klonk als onder een brug.
“Mijnheer Van Dijk, deze oma leunt tegen mijn vlekkerige auto en wil mij de schuld geven,” zei de blondine, terwijl haar ogen flakkerden als fakkels van twijfel.

“Liesbeth, ben jij dat?” vroeg de man ze herkende haar oud-leerling Bart Van Dijk uit haar droomjaren. Het werd meteen duidelijk: de blondine, secretaris bij Barts firma, was niet alleen oneerlijk maar ook respectloos tegenover oudere mensen.

“Bart, ik verwacht dat je je excuses aanbiedt aan mijn favoriete lerares,” sprak Van Dijk streng.
Maar de blondine probeerde een nieuwe leugen: “Iemand anders heeft deze dame nat gespetterd; ik stopte juist om te helpen.”
Bart slikte zijn woorden en zei: “U bent ontslagen zon medewerker hoef ik niet!”

De oud-leerling leidde Liesbeth zachtjes door een duizelige steeg, in een wereld die draaide als een draaimolen. Hij wachtte tot ze zich had omgekleed, kocht verse tulpen en een reusachtige taart van bitterkoekjes, en samen gingen ze Guusjes verjaardag vieren. Guusje had ooit ook Bart wiskunde geleerd; in het dromenland van Haarlem liepen ze met hun bloemen en taart, en alles voelde als een wonderlijke Nederlandse zomeravond met stroopwafels en warme glimlachjes.

Rate article