Op een frisse herfstdag stond ik te wachten bij de bushalte, hopend dat de bus niet net vandaag te laat zou komen. Natuurlijk begon het precies op dat moment te regenen je weet wel, typisch Nederlands weer met die motregen die zelfs door je paraplu druppelt. Nog vijf minuten, dus ik glipte snel de wachtruimte in en ploften neer op een plastic stoeltje, met mijn telefoon paraat om het laatste nieuws te checken (spoiler: Ajax had weer verloren).
Naast me kwam een energieke oude dame zitten, met de vrolijkheid van iemand die waarschijnlijk nog nooit een dag somber is geweest. Ze had enorm zin in een praatje, dus we keuvelden over het weer het favoriete gespreksonderwerp van elke Nederlander, samen met de kwaliteit van koffie. Ze was bepaald niet op haar mondje gevallen, en al snel deelde ze haar levensverhaal met mij.
Haar leven was alles behalve makkelijk geweest. Ze had een heftige tragedie meegemaakt die haar zonder huis had achtergelaten. Haar huis, een degelijke twee-onder-een-kapwoning ergens aan de rand van Groningen, was bedoeld voor twee gezinnen: zij woonde in de ene helft, in de andere een nogal roekeloze familie. En ja hoor, tijdens een uit de hand gelopen feestje van de buren vloog hun kant in de fik en je raadt het al voor ze het wist stond ook haar deel in lichterlaaie. Ze wist nog net haar lievelingsvaas en een paar fotoalbums te redden, maar verder was het huis voorgoed verloren.
Zonder een dak boven haar hoofd, trok ze in bij haar dochter in Leeuwarden. Dat liep echter allesbehalve soepel: na een week liet haar dochter weten dat oma eigenlijk nogal een sta-in-de-weg was, en dat ze haar toch liever elders zag. Alsof je je vers gekochte stroopwafel zomaar bij het oud vuil zet! Het raakte me, hoe haar eigen familie haar te snel met de Friese wind wilde wegblazen.
Toen ik haar vroeg waar ze nu woonde, vertelde ze dat ze onderdak had gevonden in een leegstaand huisje in een nabijgelegen dorp. Ik stelde hulp voor, maar ze wuifde het vriendelijk weg Ik red mezelf wel, jongen, ik heb alles wat ik nodig heb. Na ons gesprek liep ik met haar mee, maakte zelfs een selfie met haar én de bus met het plaatsnaambord erop stukje Hollandse nuchterheid in beeld.
Thuis kon ik haar verhaal toch niet loslaten. Dus ik belde de dorpsburgemeester. Niet veel later, was ik samen met een groep vrienden en een stel handige vaklieden onderweg naar haar huisje. Gewapend met gereedschap, bouwmaterialen en een portie optimisme, gingen we aan de slag.
Met tips van de burgemeester en die inmiddels beroemde selfie bij haar hut hadden we een beeld van wat we moesten doen. Toen we aankwamen, werd ons vrijwilligershart meteen geraakt. Het huisje had geen vloer, het dak bestond uit decoratief gat, en stromend water was een vage droom de loodgieter had blijkbaar een cursus creative oplossingen gevolgd in plaats van normaal aanleggen. En het budget? Dat paste ongeveer in een lege klomp.
We gingen een week lang onvermoeibaar aan de slag en dankzij gulle giften van dorpelingen en onze klanten, hebben we het huisje op zijn Hollands stevig opgeknapt. Er is nu stromend water (een zegen in elk plaasterig chalet), een werkende wc en een fris dak waarop je gerust een fietstochtje kan uitzetten. De muren zijn weer recht, de vloer kan tenminste dansen zonder door te zakken. De mooiste beloning? Haar blije knuffel met tranen van geluk veegde ze ons allemaal even over het gezicht, wat best oké voelde.
Maar hier hield de goedheid niet op. Helemaal in de geest van de Hollandse gemeenschapszin sprong het dorp bij ze timmerden een nieuw hek, maakten haar tuin schoon en ontvingen ons alsof we Koningsdag vierden, met koffie, appeltaart en een aangeboden logeerplekje. Van deze ervaring heb ik geleerd: een beetje medeleven en een flinke scheut Nederlandse gezelligheid maken het leven voor iedereen een stuk mooier.






