Marieke zweefde over de Weerribben alsof haar voeten van riet waren, telkens wanneer ze de grote stad wilde bereiken. s Zomers stak ze per fluisterboot de schemerige Aa over, waarbij het water altijd vreemd spiegelde en soms de schimmen van watergeesten liet zien. In de winter moest ze de besneeuwde A6 oversteken, waarop de auto’s traag als koeien langs gleden, mistfonteinen achterlatend.
Toch was haar dorp, vlakbij Giethoorn, gevuld met mensen die elkaar kenden tot in hun dromen. Iedereen wisselde hun zorgen op de markt bij de oude kerk, hielp elkaar met wortels uit de tuin en de mysterie van vergeten paraplus. Er was altijd een klank van saamhorigheid, zelfs als het regende spinnenwebben.
Marieke was het langverwachte kind van haar moeder, maar haar moeder had haar buiten het huwelijk gekregen. Haar vader was Jacobus een lange, goedgeluimde man met een schaduw van tulpen op zijn glimlach, de echtgenoot van haar moeders boezemvriendin. Niemand vermoedde zijn vaderschap, want Jacobus was de verzorgende vader van drie kinderen en wilde zijn familie nooit verlaten. Mariekes moeder wenste evenmin het huis en hart van haar vriendin te breken.
Van haar eerste ademtocht was Femke (Jacobus dochter) haar vriendin; samen dansten ze door de lanen, speelden in het gras dat soms verdween onder hun voeten als ze lachten. In dezelfde klas klonken hun stemmen als klokken door het lokaal, en toen hun oren muziek begonnen te horen die anderen niet hoorden, gingen ze samen naar het muzieklyceum in Steenwijk. Ze slaagden met linten, droomden van het conservatorium in Amsterdam.
Maar toen hun schooltijd als een zeemeeuw verdween in de verte, gingen ze verschillende kanten uit. Femke verhuisde naar Zwolle, Marieke bleef in het verwarde dorp tussen de meren. De brieven en telefoonkabels raakten verstikt in riet, en zij spraken jarenlang niet.
De kinderdromen bleven pluisjes: geen van beiden ging naar het conservatorium. Femke werd procestechnoloog bij een fabriek waar kaas soms naar marsepein rook, Marieke werd kapster en verzamelde de haarlokken in een geheimzinnige doos om later te gebruiken. Ze trouwde met een molenmaker, kreeg twee zonen en dacht soms aan Femke die ergens in haar hart altijd een draadje bleef.
Ondertussen sloeg het onheil in: artsen vonden een knol bij haar moeder. Marieke deed wat ze kon, maar uiteindelijk komen alle geheimen boven als mist uit de sloten. Toen haar moeder heenging, fluisterde ze met haar laatste adem:
Je vader Je vader Kom dichterbij, mijn dochter
Marieke voelde haar hoofd als een klomp vol modder. Ze had al die tijd met haar eigen zus gewoond, zonder het te weten! Geen wonder dat hun smaken op magische wijze overeenkwamen de vaderlijke genen draden door hun levens.
Het zoeken naar Femkes telefoonnummer was als het vissen naar een ring in de gracht. Jacobus woonde allang niet meer in het dorp; Femke had haar ouders naar de stad verhuisd, de sporen verdampt als stroopwafeldamp. Maar via een buurvrouw, bij een kopje koffie met stroopslierten, vond Marieke toch het nummer.
Toen ze belde, hoorde ze blijdschap in de stem die klonk als een carillon over het IJsselmeer. Femke sprong van vreugde ze had haar jeugdvriendin onthouden als een droom. Maar Marieke wilde het geheim niet door de telefoon aan de wind toevertrouwen; ze nodigde Femke uit naar hun oude dorp.
Binnen enkele dagen liep Femke door de poort van het dorp, als een schaduw van vroeger, en de zussen praatten diep en lang, lieten herinneringen stromen als Friese meren in de zon. Het weerzien was een surrealistisch feest in hun harten.
Nu steunen ze elkaar als palen in de polder, bezoeken elkaar in Amersfoort en Giethoorn, en Marieke heeft contact met haar vader. Jacobus bood zijn vrouw zijn spijt aan zij vergaf hem, hun leven ging verder met net wat meer wind in de zeilen. Hij en Femke komen bij Marieke op de thee, bezoeken samen het graf van haar moeder in het veld. Jacobus praat met zijn kleinzonen, die blij zijn met zon zachte opa in hun droomweefsel.
Zo was hun lot: de waarheid die als zonlicht door wolken na vele jaren zonder iemand te kwetsen opeens op het water glinsterde.






