De regen tikkelde op het raam van de volle bus die zich langzaam een weg baande door Amsterdam. Naast mij zat mijn zoon, Rick, naast hem een vrouw met haar dochtertje Femke, bijna even oud als Rick. De geur van natte jassen hing in de lucht en iedereen zat dicht tegen elkaar aan.
Ik merkte een jonge man op, zijn blonde haren verborgen onder een capuchon, luisterend naar muziek via zijn koptelefoon. Zacht tikte ik hem aan en vroeg beleefd of hij zijn plek wilde afstaan. Meteen stond hij op, geen spoor van tegenzin. Rick ging zitten, zijn dankbaarheid toonbaar in een snel aangeboden zoute dropje. De jongeman bloosde, nam het aan en glimlachte verlegen terwijl hij weer op zijn benen stond.
Plots zag ik hoe de moeder probeerde mijn voorbeeld te volgen. Ze boog zich over een oudere heer die een beetje wegdommelde, zijn hoofd tegen het raam. Eerst probeerde ze hem zachtjes wakker te maken, maar toen dat niet lukte, werd ze luid. Haar stem galmde door de bus: Ziet u niet dat ik hier met een klein kind sta?! Maak plaats! Het schrikte haar dochtertje Femke zo dat ze begon te huilen. De oudere man trok zijn koptelefoon af, versuft door de scherpe toon. Sorry, maar ik wil mijn plek niet opgeven! beet hij terug, zichtbaar gekwetst door de harde woorden.
Ik kon niet anders dan hem begrijpen. Niemand verdient het zo behandeld te worden. Niemand is verplicht zich te laten commanderen, zeker niet op zon manier. Zacht stelde ik voor dat Femke naast Rick kon zitten, zodat ze toch samen zaten. Maar de moeder wilde niet toegeven ze was vastbesloten om haar punt te maken, hoe dan ook.
Ik ben nooit zo geweest. Altijd vraag ik vriendelijk, probeer begrip te tonen. Als iemand zijn plek afstaat voor een kind, ben ik oprecht dankbaar. En als ze het niet willen, ook goed dat is hun keuze. Al die jaren ben ik nog nooit botweg geweigerd.
Misschien komt dat omdat ik nooit mijn stem verhef tegen vreemden in de bus. Want een beetje fatsoen brengt je vaak veel verder dan geschreeuw en gedoe.






