Dit is een verhaal over mijzelf, als een droom die zich afspeelt tussen mistige kanalen en tulpenvelden. Ik was toen 26 jaar oud, drijvend over grachten, verlangend naar het moederschap. Al lange tijd wilde ik een kind, maar ik kon het enkel krijgen van een getrouwde man. Hij heette Arjan, en ik hield zielsveel van hem. Maar zijn overtuigingen, gehuld in nevels van oude Nederlandse waarden, lieten hem niet toe van zijn vrouw te scheiden en bij mij te blijven.
Ik werd zwanger. Arjan stond achter me, en ook mijn hele familie was er voor me behalve mijn vader, Pieter, die verbleef in een huis gevuld met delfts blauwe tegels en zwijgende verdrietigheid. Voor hem was het een schande, ongetrouwd en zwanger rondlopen in een klein dorpje waar iedereen over elkaar praat bij de bakker. Toen mijn dochter geboren werd, had ze gitzwart, krullend haar en grijze ogen als de Hollandse luchten voor een storm een kind dat op niemand van onze familie leek, een klein mysterie.
Iedereen hield van haar, behalve mijn vader, die nog geen blik op zijn kleindochter geworpen had. Ik ging niet terug naar huis met mijn dochtertje, want ik voelde me er niet welkom. Mijn moeder, Ineke, bleef bellen, smekend of ik toch wilde langskomen. Maar ik wist: alleen zij verwachtte mij daar, verder wachtte slechts stilte.
Mijn dochter, Mare, groeide op zonder de liefde van haar opa. Dat deed pijn, als koude regen op een zomerdag. Gelukkig had ik mijn broer, Teun, die met heel zijn hart van mij en Mare hield. Toen Mare twee jaar werd, kondigde Teun zijn bruiloft aan. We werden uitgenodigd op zijn grote dag een feest in een oude boerderij, omringd door weilanden.
Ik twijfelde tot het laatste moment om te gaan, bang dat mijn aanwezigheid onweer zou brengen op Teuns gelukkige dag. Ik wist immers hoe mijn vader tegenover mij en Mare stond. Toch, na veel aandringen van Teun, Ineke en de bruid, besloot ik te gaan.
Op het feest renden kinderen rond in witte sokken en met rode wangen. Mijn dochter viel op, niet door haar schoonheid maar door haar donkere uiterlijk; tussen al het blonde kroost viel ze extra op, als een exotische bloem tussen de narcissen. Mijn vader keek altijd vertederd naar kinderen, maar ik verwachtte niks.
Totdat ik me omdraaide en het onmogelijke zag: mijn vader zat aan een houten tafel, mijn dochter op zijn schoot. Ze fluisterden dingen tegen elkaar, vertrouwd als opa en kleindochter, alsof ze altijd samen waren geweest. Die avond bleef ik op de achtergrond, toekijkend hoe hun band ontstond, als vanzelf.
Tegen het einde van het feest kwam mijn vader op mij af, zijn armen omhelsden me stevig, zijn stem overspoeld door spijt. Hij vroeg me terug te komen naar huis, mét Mare. De gasten fluisterden, de lucht gevuld met typisch Hollandse nieuwsgierigheid. Maar het deerde me niet meer ik had mijn vader vergeven. Mijn dochter heeft nu een opa. Is dat niet geluk, zo simpel en vreemd als het verschijnen van regenbogen boven het IJsselmeer?






