Het was vrijdag. Marjolein had een zware dag. Ze moest nog wat deals afronden en een pittig gesprek voeren met de directie. Ze was verantwoordelijk om potentiële huurders verschillende woningen te laten zien. Marjolein vond dat ze na zo’n werkweek wel een dinertje in een restaurant had verdiend.
Het restaurant was een sjiek tent in het centrum van Utrecht. Mensen vierden er vaak hun verjaardagen en buiten stonden altijd gloednieuwe Tesla’s geparkeerd. Voor een klein voorgerechtje betaalde je net zoveel als voor een nieuwe fietstas. Maar ach, waarom zou ze zichzelf iets ontzeggen? De gastvrouw liep op Marjolein af en begeleidde haar naar een tafeltje. Het was rustig in het restaurant, met op de achtergrond zachte jazzmuziek. Op het podium stond een elegante zangeres liedjes van Ramses Shaffy te zingen.
‘Welkom in ons restaurant,’ zei de ober beleefd, ‘Mag ik u vandaag onze specialiteit aanbevelen: zeevruchtensoep?’
‘Dank u, misschien straks. Zou u eerst een glaasje kraanwater willen brengen?’ vroeg Marjolein met haar meest charmante glimlach. Niet dat ze dorst had, ze probeerde gewoon wat tijd te rekken. Ze was gewaarschuwd dat dit een prijzige zaak was, maar zó prijzig? Je zou denken dat het telefoonnummer van deze zaak ook in goud gedrukt stond.
De gastvrouw keek haar aan, want wie bestelt er nu alleen water in zo’n restaurant? Het personeel taxeerde haar outfit: witte sneakers waarvan zelfs een student nog zou zeggen dat die hun beste tijd gehad hadden, een zwarte jas met vage vlekken, en een handtas die nog van haar oma leek te zijn geweest.
Het team mompelde al: vast een zwerver. Marjolein deed net alsof ze aandachtig het menu doornam. ‘Garnalen in roomsaus voor dat bedrag… Daar kun je toch beter je energierekening van betalen?’ dacht ze. ‘Tiramisu voor de helft van mn maandsalaris? Dan bak ik die toch lekker zelf.’
‘Mag ik misschien wat bruschetta met kaas en peer?’ probeerde Marjolein voorzichtig.
‘Dat zal ik overleggen met de chef, want u heeft een ontbijtgerecht gekozen,’ antwoordde de ober keurig.
Niet alleen het personeel en de manager, maar het halve restaurant keek nu naar Marjolein.
‘Luister,’ siste de manager tegen de ober, ‘maak haar duidelijk dat we hier niet bij de snackbar zijn. Doe het subtiel. We kunnen onze clientèle niet verliezen door haar.’
‘Maar als ze hier zit, is ze óók onze klant. Ik móét haar toch gewoon netjes bedienen?’ fluisterde de ober terug.
‘Nogmaals, als je haar nu niet wegstuurt, zorg ik ervoor dat je nergens anders meer aan de bak komt. Zon armoedzaaier hoort hier niet!’
Ondertussen had een vrouw aan een naastgelegen tafel het gesprek gehoord. Marjolein probeerde ondertussen haar jas recht te trekken om de ongewenste aandacht af te wenden, maar je zag gewoon dat het haar dag niet was geweest. Toen bracht de ober ineens een bord met een prachtig stuk sukade, gedrenkt in kersencompote. De geur verspreidde zich verleidelijk door het restaurant.
‘Sorry, maar volgens mij heb ik dit niet besteld,’ reageerde Marjolein meteen.
‘Geen probleem, het gaat op de rekening van één van onze vaste gasten,’ knipoogde de ober en wees naar de vrouw naast haar. Marjolein had nog nooit zoiets lekkers geproefd; het vlees smolt weg op haar tong. Nieuwsgierig bladerde ze terug in het menu voor het prijskaartje en schrok zich rot! Eigenlijk wilde ze meteen naar de vrouw toe om haar bankrekeningnummer te vragen. Ze wilde haar nieuwe vriendin meteen terugbetalen zodra het salaris binnenkwam.
‘Sorry, maar ik kan me zoiets écht niet veroorloven. U kent mij niet eens. Waarom heeft u dat nou voor mij gedaan?’
‘Ik begrijp je situatie. Die euros komen mij ook niet zomaar aanwaaien,’ zei de vrouw vriendelijk. ‘Ik kom uit een klein dorp, opgevoed door mijn oma nadat mijn ouders omkwamen bij een auto-ongeluk. Mijn oma heeft me geleerd altijd aardig te zijn voor anderen. Inmiddels heb ik mijn eigen bedrijf opgebouwd. En ik ben die raad van haar nooit vergeten. Dus daarom help ik je vandaag een handje,’ glimlachte ze.
Toen Marjolein vertrok, maande de vrouw de manager bij zich.
‘U bent ontslagen. U mag mensen niet beoordelen op hun uiterlijk. Die vrouw was net zo goed onze klant, u had haar niet zo mogen behandelen.’
‘Het spijt me, het zal niet meer gebeuren.’
‘Nee hoor, u vertrekt morgen. In mijn restaurant wil ik geen mensen zonder hart voor anderen.’






