Zo kun je toch niet leven! Het klopt gewoon niet! zei Robert terwijl hij de kamer van zijn vader binnenstormde.
Waar heb je het over, jongen? Waarom denk je dat? Wie heeft dat gezegd?
De schoolmaatschappelijk werker op mijn school.
Vertel verder, ik wil alles horen.
Ik zal het je laten zien. Ik ga nu doen alsof ik naar bed ga, en jij doet alsof je me ‘s ochtends wakker maakt.
Waarom doe je dat nou?
Je snapt het zo wel!
Goed, goed… Robert, wakker worden. Je moet naar school, het is tijd om op te staan.
Zie je nou! Je zegt elke ochtend hetzelfde. Ouders zouden hun kinderen met liefde wakker moeten maken, zodat wij hun genegenheid voelen. En ze zouden daarbij ook moeten glimlachen!
Laat je moeder het jou maar naar de zin maken, ik heb daar geen tijd voor.
Geef je niet om mij?
Waar heb je het nou toch over? zei zijn vader licht geïrriteerd.
Het is geen onzin. Als je niet wil dat ik later onaardig tegen je doe als je oud bent, moet je wel laten zien wat je voelt. Probeer het nog eens.
Goed dan. Kom op, luie donder, eruit! Je komt te laat op school zo.
Ik ben nog zo moe!
Lieverd, wakker worden zei zijn vader, terwijl hij liefdevol door Roberts haar streek en een kus op zijn voorhoofd drukte.
Yes! Nu voelde ik je liefde.
Genoeg nu met al die onzin. Laat me je cijfers zien.
Nu niet, pap. Je hebt geen tijd meer. Je moet naar je werk.
Geeft niks. Even kijken… Kijk nou, een 6. Zowel voor Nederlands als voor wiskunde.
Maar ik heb een 10 gehaald voor psychologie.
Wil je soms psycholoog worden, jongen? Luister eens, mijn goudhaantje, zolang je cijfers niet beter worden, geen telefoon meer voor jou. Ga zitten en leren totdat mama thuis is.
Robert begon te huilen, zijn vader probeerde hem te troosten:
Jij zei dat ik moest glimlachen, nou: glimlach maar!






