Ik deed alles voor mijn kinderen en kleinkinderen, zonder te beseffen dat ik mezelf daarbij volledig opofferde

Op een dag, tijdens mijn verjaardag, zat mijn hele familie aan de oude eikenhouten tafel in mijn huisje in Haarlem. Mijn kinderen, kleinkinderen en zelfs de buurvrouw Ans waren er. De tafel kraakte bijna onder het gewicht van allerlei Hollandse lekkernijen: stamppot met worst, haring, kaasplankjes, zelfgebakken appeltaart. De geur van versgebakken brood zweefde als een warme deken door de kamer. Ik hoorde dat zelfs de jongste kleindochter, Merel, had geholpen met de bitterballen. Niemand kwam iets tekort; op de tafel was werkelijk geen plaats meer voor nog een bordje.

We smulden allemaal en lachten, toen opeens als in een rare droom begonnen er kippenbotjes en stukjes krokanthuid op mijn halflege bord te vallen. Eerst legde mijn kleinzoon Joris ze achteloos neer terwijl hij zachtjes oude Sinterklaasliedjes neuriede, daarna volgde mijn kleindochter Fenne ook. Niemand leek het vreemd te vinden, tot ik ze aankeek, met grote verbaasde ogen alsof ik net wakker werd uit een droom.

Wat zijn jullie aan het doen? riep mijn oudste dochter Maartje. Ze tikte de kinderen streng op hun vingers. Jullie weten best dat we daar een schoteltje en servetten voor hebben! Waarom leg je dat nou bij oma?
Maar oma houdt toch van botjes? Ze zegt altijd dat ze het lekker vindt om erop te kluiven, zei Joris, terwijl hij zijn neus ophaalde.
Fenne knikte dromerig: Oma geeft haar worst zelfs altijd aan mij omdat ze toch alleen van spek en botjes houdt…

Het bracht een golf van herinneringen. Vroeger gaf ik hen alles wat het lekkerst was. De mooiste aardbeien, de goudkleurige randjes van de groenteschotel, of het lekkerste stukje kip. Als ze vroegen waarom, zei ik stiekem dat ik juist hield van die aangebrande randjes, vette stukjes of het rugstuk van het konijngewoon, zodat zij het beste kregen. Ik liet mezelf geloven dat ik er echt dol op was. En nu, aan deze vrolijk versierde tafel, voelde ik plots hoe vreemd dat alles was.

Mijn kinderen kennen mijn Niemeyer-trucs inmiddels, en blijkbaar hebben zij hetzelfde naar hun kinderen doorgegeven. Zo leren we elkaar om te denken dat het vanzelfsprekend is jezelf te ontzeggen voor een ander. In deze droomachtige bijeenkomst zit ik daar, genesteld in een wolkje van feestgeur en echoënde kinderstemmen, en besef dat ik misschien wel te overtuigend ben geweest. Mijn kleinkinderen weten niet beter dan dat oma botjes heerlijk vindt, en ze delen deze onzichtbare gewoonte met mezelfs wanneer er overvloed is.

Kinderen worden groot, maar de cirkel van geven en nemen krult zich lenig voort, als een krul in de rook boven een oud Delfts blauw servies. We leren elkaar, zachtjes en stiekem, dat geluk soms betekent dat je het mooiste deel weggeeft. Misschien is het net zo Hollands als hagelslag op brood.

Is het goed jezelf steeds weg te cijferen, vraag ik me slaperig af, terwijl buiten de trambel zingt als een aflopende muziekdoos. Is opoffering het mooiste cadeau, of nog gewoonte, zo waanzinnig als een droom aan de grachten?

Rate article