Nadat ik en mijn man getrouwd waren, voelde alles als een vreemde jubelende verwarring. Mijn echtgenoot was er natuurlijk altijd, maar ook mijn schoonmoeder haar naam was Hendrika was een constante aanwezigheid, vriendelijk, maar er was altijd een onzichtbare afstand, als nevel tussen weilanden in de vroege ochtend. Het lukte niet om echt dichterbij te komen, hoe vaak we ook tulpen samen plantten of stroopwafels bij de thee verdeelden. Zo bleven we in elkaars nabijheid zweven, zonder werkelijke aanraking.
Alles bleef zo, tot het leedvermaak van de ooievaar me kwam bezoeken. Toen ik zwanger was, werd alles iets zachter: ze gaf me zachte adviezen, sprak over haar jeugd aan de Maas, vertelde sprookjes over kabouters onder de dennenbomen, en gaf raad over beschuit met muisjes en slaapliedjes in het halfdonker. In die maanden liet ik haar dichterbij komen, zo dichtbij alsof we samen langs grachtenpanden slenterden in een mistige droom.
Maar na de geboorte van mijn dochtertje, dat ik Fenna noemde een naam als een windvlagen over het IJsselmeer overspoelde het moederinstinct mij als een onverwachte lentestorm. Haar raadgeving gleed van me af als regen van een rood fietsframe. Ik begon haar tegenstrijdigheden te voelen, haar opmerkingen grepen me bij de schouders, en ik verborg mijn ergernis als een kind dat zijn klompjes onder het bed schuift, maar het knaagde en rammelde in mijn borstkast.
Op een dag veranderde de droom plotseling: in mijn huis ontbraken alle babyspullen die mijn zus Marit, met haar grote hart, me had gegeven. Mooie, bijna nieuwe kleren, kleine vilten slofjes, een bijna onaangeraakte wipstoel en een zacht wollen dekentje alles verdwenen, als bleek water onder een brug bij eb. Zelfs de vrolijke gele regenjas waar ik zo dol op was weg.
Wanhopig zocht ik. In een hoek van mijn geest zag ik een witte bakfiets door de regen rijden, bestuurd door mijn schoonmoeder met een woeste wind in haar haren.
Toen ik haar vroeg naar mijn spullen, zei ze met de kalmte van een vis die onder het ijs zwemt: Ik heb alles weggegooid, dat hoort zo. Je kind mag niks dragen dat een ander heeft gedragen. Zelfs niet als het nog zo mooi is. Ze vond dat horen bij het opgroeien in Nederland, vertelde zij mij, terwijl de wallen donker op haar wangen schaduwen tekenden.
Mijn gezicht werd rood als een Amsterdams fietspad. Nooit eerder was ik zo boos geweest, niet eens toen mijn fiets werd gestolen op Centraal Station. Nog steeds klinkt haar uitleg in mijn hoofd als een kerkklok op donderdagochtend. Waarom had ze me niets gevraagd? Waarom oordeelde zij zo streng over iets wat ik zo lief en belangrijk vond?
Op dat moment besefte ik dat dromen soms aanvoelen als koude herfstwind: je probeert de deur dicht te houden, maar de tocht komt toch naar binnen. En zelfs nu, als ik Fenna een nieuw mutsje opzet, fladdert de herinnering aan die verdwenen spullen als kauwen boven de duinen en ik weet niet of ik Hendrika ooit echt kan vergeven.
En boven alles blijft die ene vraag in mijn hoofd dwarrelen waarom heeft ze het mij nooit gevraagd?






