Naar buiten stappen en het woord nemen

Naar buiten en zeggen

De knop Versturen op de website van het spreekatelier was piepklein, maar de handpalm van Anke voelde alsof ze niet op een muis drukte, maar een zweetnatte vreemde hand vasthield. In het aanmeldformulier had ze eerlijk ingevuld: 55 jaar. Ervaring Sinterklaasgedichten voorgelezen op school, gesproken op ouderavonden. Bij het kopje doel typte ze eerst: voor mezelf, verwijderde dat, typte: ik wil leren hardop spreken, en toen pas drukte ze.

Binnen een minuut plofte de bevestigingsmail met adres en tijd van de proefles in haar inbox. Anke klapte haar laptop dicht, alsof die daad het hele proces weer kon terugdraaien, en sjokte naar de keuken. De vaat stond als een blokkendoos op het aanrecht, de soep werd langzaam koud op het fornuis. Automatismen brachten haar hand bijna naar de afwasborstel, maar ze hield halt.

Straks, zei ze hardop, en haar eigen stem liet haar schrikken, alsof de buren het konden horen.

Over het atelier had Anke niemand ingelicht. De boekhoudafdeling was sowieso al een kippenhok: wie had wat tegen wie gezegd, wie keek wie scheef aan. Thuis had ze haar zoon, haar man, haar schoonmoeder aan de telefoon allemaal vertrouwde, veeleisende stemmen. Ze wist zeker dat als ze zou zeggen: Ik ga naar een spreekstudio, meteen de vragen, grappen en adviezen zouden beginnen. Of erger nog: zon meewarig Wat moet jij daar nou mee? Ze had zichzelf die vraag jarenlang gesteld.

De bewuste avond stapte Anke uit de metro en zwierf eindeloos door Utrecht-Oost, ondanks het feit dat het adres duidelijk was. Ze wandelde traag, controleerde telkens haar tas: ID, notitieboek, flesje Spa. Op de trap in het portiek stootte ze bijna tegen een moeder met kinderwagen aan. Anke plakte zich vast aan de muur, trok haar schouders op, en liet ze voorgaan. Haar hart bonsde als voor een eindexamen Nederlands.

Het atelier bleek op de tweede etage, achter een deur met een bordje Creatieve Werkplaats. In de gang stonden net teveel stoelen, op de muur hingen posters van vroegere voorstellingen. Anke deed haar jas uit, hing hem aan een haakje, probeerde snel haastig haar haar goed te leggen in het spiegelglas. Haar grijze slapen leken extra op te lichten, en ze streek er onbewust overheen, alsof ze het kon verbergen.

In het lokaal zaten een man of tien. Iemand giechelde, iemand bladerde door een script. De cursusleidster, een klein vrouw met kort haar en een poetsdoek van een sjaal, stelde zich voor als Marianne van der Pol. Ze vroeg iedereen om in een kring te gaan staan.

Vandaag gaan we niet voor volume, maar voor basis, zei ze. Ademen. En niet verontschuldigen.

Het zinnetje niet verontschuldigen raakte Anke recht in haar borst. Ze betrapte zichzelf er al op dat ze wilde zeggen: Ik blijf niet, hoor, ik kijk alleen even rond. Maar in plaats daarvan zwichtte ze en sloot zich aan in de kring.

Het eerste oefeningetje was simpel: diep inademen, langzaam uitblazen op een lange sss, dan op een zoemend zzzz. Anke probeerde niet te loeren naar de buren, maar zag toch: naast haar stond een jong vrouw met knalroze nagels en een rug als een vlaggenmast; verderop een man in een sportjack, die zijn schouders breed hield en uitstraalde ik weet waarom ik hier ben. Anke voelde zich een beetje als op een feestje zonder uitnodiging.

Nu mag iedereen zijn naam zeggen en een zin, ging Marianne verder. Maakt niet uit welke. Maar niet fluisteren, graag.

Toen Anke aan de beurt was, plakte haar tong aan haar gehemelte.

Anke, zei ze. Sorry, ik

Stop, kapte Marianne zacht maar stellig af. Dat woord gebruiken we vandaag niet. Nog eens. Alleen je naam.

Anke slikte.

Anke.

En ineens klonk haar stem minder breekbaar dan ze dacht. Laag, een tikje schor van de zenuwen, maar levendig. Dat maakte het enger en fijner tegelijk.

Na afloop kwam Marianne naar haar toe.

Kom vooral naar de cursus, zei ze. Je hebt een mooie klank. En een gewoonte om je te verschuilen. Daar gaan we aan werken.

Anke knikte alsof het iemand anders betrof. Buiten pakte ze haar telefoon om haar man te appen dat ze later thuis zou zijn, maar bleef lang naar het scherm turen. Uiteindelijk stuurde ze alleen: Word wat later, cursus. Geen details.

De week erop begonnen de wekelijkse repetities. Anke had het eerste tekstje uitgeprint: een monoloog uit een hedendaagse roman over een vrouw die leert nee zeggen. Thuis, tussen het afgieten van de aardappels en het koken van de bloemkool, oefende Anke. Steeds vergat ze een regel of slikte ze een woord in. Ze ergerde zich aan zichzelf alsof ze met een eigenwijze peuter te maken had.

Mam, wat murmel je daar? vroeg haar zoon vanuit de deuropening.

Anke schrok en schoof het blad weg.

Niks. Werk.

Werk was haar vaste rookgordijn. Ze schaamde zich dat ze zich zelfs voor haar zoon verborg, maar de waarheid durfde ze nog minder.

Tijdens de repetitie zette Marianne de deelnemers een voor een achter de microfoon. Hij stond statig op een standaard, kabel sierlijk opgerold naar een speaker. Anke was even bang voor het apparaat als voor de ogen in de zaal. Ze zag voor zich hoe haar stem galmend door de ruimte dwarrelde en elke zenuw blootlegde.

Niet naar de microfoon toe buigen zei Marianne. Laat hem naar jou komen. Rechtop staan. Adem richting rug.

Anke probeerde het. De eerste keren ging alles mis: schouders te hoog, ademhaling te gejaagd. Ze hoorde hoe de jonge vrouw naast haar moeiteloos haar tekst bracht, alsof ze gewoon over haar Tinder-date vertelde. Anke dacht: Ik ben te oud. Dit is lachwekkend. En schonk zichzelf, inwendig, een excuus.

Na afloop kwam een vrouw naar haar toe, leeftijdgenoot, grijze trui, haar in een keurige paardenstaart.

Je houdt mooie pauzes, zei ze. Ik heet Bente. Was eerst ook als de dood voor de microfoon. Dacht dat hij elke fout uitvergrootte.

Anke glimlachte voor het eerst die avond.

Dat doet hij ook, fluisterde ze.

Ja, lachte Bente. Maar niet zó erg als we vrezen.

Samen liepen ze naar de bushalte. Bente werkte in het ziekenhuis, en was na een rotjaar naar de cursus gegaan, omdat alles opeens vanbinnen versloft leek. Anke luisterde en voelde binnenin zichzelf iets smelten. Nog geen vriendschap, maar wel het vermoeden dat je niet de enige hoeft te zijn.

Een paar lessen later viel er een nare opmerking. Anke bracht haar monoloog, probeerde rustig te ademen, maar halverwege stopte ze omdat ze een woord even niet wist. Stilte.

Kijk, ja, geheugen is ook niet meer wat het geweest is, grijnsde de man in het sportjack, zacht, maar net luid genoeg.

Anke voelde haar gezicht tintelen van schaamte. Ze wilde iets scherp zeggen, maar haar mond boog automatisch in een vriendelijke glimlach, zoals altijd.

Ja, kan gebeuren, mompelde ze.

Marianne stak haar hand op.

Iets vergeten kan iedereen gebeuren, zei ze. Dit is geen opmerking over leeftijd. We zijn hier om te oefenen, niet om te beoordelen.

De man haalde zijn schouders op. Anke dacht ondertussen: haar reflex om te glimlachen op een sneer dat is óók haar stem, of eigenlijk, haar gebrek daaraan.

Thuis pakte ze die avond het tekstblad nog eens. Haar man keek Studio Sport. Hij vroeg:

Ben je poëzie aan het leren?

Anke verstijfde. Droge keel.

Nee. Ik ik zit op een cursus. Er komt een optreden.

Haar man wendde zich van de televisie af en keek oprecht.

O, optreden? herhaalde hij zonder cynisme.

Ze wachtte op een grap, maar die bleef uit. Hij knikte alleen.

Nou… als jij het nodig hebt, ga lekker. Maak het jezelf niet te moeilijk.

Nuchtere Hollandse woorden, geen applaus, geen gezwijmel precies daarin voelde Anke zich gesteund. Geen je bent geweldig!, geen ik ben trots op je, gewoon geen tegenwerking. En dat was een verademing.

De voorbereidingen gingen stroef. Anke zette de wekker een half uur eerder om nog ademoefeningen te doen voor iedereen wakker werd. Ze stond bij het raam, handen op haar ribben, telde in-en-uit. Soms kuchte ze, soms lachte ze stiekem om haar spiegelbeeld. In haar agenda schreef ze kaak ontspannen, pauze na nee, kijk het publiek in, niet naar de grond.

Ooit vroeg Marianne tijdens de repetitie: Stel je voor dat op de eerste rij precies diegene zit tegen wie je je tekst wil zeggen.

Anke zag meteen haar schoonmoeder. Daarna haar baas. Uiteindelijk vooral zichzelf in de spiegel, met die gemaakte glimlach van altijd. Haar handen begonnen te trillen.

Niet voor iedereen tegelijk, zei Marianne, vriendelijk. Kies er één. Vertel het gewoon aan hem of haar.

Anke koos zichzelf. Het voelde raar en eng, alsof ze eindelijk toegaf dat ze zelf ook in de zaal zat.

Plots was het optreden er. Veels te snel, natuurlijk. Anke was allang wakker voor haar wekker afging. Haar buik voelde leeg, ijskoud. In de keuken dronk ze water met piepkleine slokjes. De uitgeprinte tekst lag op de tafel, in tweeën gevouwen. Ze ontvouwde het, las het nog snel en schrok: het middenstuk was compleet blanco in haar hoofd.

Ze zakte op een stoel, handen tegen haar slaap.

Ik ga niet, dacht ze. Die gedachte smaakte als chocola: verleidelijk en geruststellend. Niemand zou sterven. Je kon zogenaamd ziek zijn, gewoon afzeggen.

Maar toen strompelde haar man slaperig naar binnen.

Wat doe je zo vroeg?

Anke keek hem aan en zei plots zonder filter:

Ik ben bang. Straks vergeet ik alles.

Hij krabde aan zijn hoofd, pakte het blad.

Lees dan maar gewoon aan mij voor, zei hij, maakt niet uit hoe vaak je vastloopt.

Anke wilde weigeren, maar voor ze het wist stond ze. Ze las zacht, hakkelend, soms stoppend en bladerend. Haar man onderbrak haar niet, alleen bij het woord sorry trok hij even zijn wenkbrauwen op.

Je mag dat woord toch juist niet zeggen daar? zei hij.

Anke grinnikte.

Thuis lukt het ook niet, hoor.

Vast wel, zei hij, gaf haar het papier terug. Maar je gaat toch wel?

Bij het atelier was het een chaos voor aanvang. Kostuumzakken, fluisterende teksten, geur van sinaasappelschillen in de foyer. Anke hield haar tekst in een mapje, haar vingers ijzig.

Bente kwam naar haar toe, reikte haar een fles water.

Even drinken. En nu niet meer oefenen. Nu gewoon ademen.

Anke knikte, stopte het blad diep in haar tas die pontificaal tegen een muur stond. Alles onder controle, wist ze zo tenminste altijd waar terug te keren.

De kleine theaterzaal zat vol; een man of vijftig. Klein podium, zwart gordijn, twee felle spotlights. Microfoon in het midden. Vanuit de coulissen keek Anke de zaal in en kreeg direct spijt. Gezicht na gezicht maar ze herkende er twee: haar man, vooraan, en haar zoon, die tot haar verbazing óók was gekomen. Een golf van tederheid en paniek spoelde over haar heen.

Ik kan niet, fluisterde ze tegen Bente.

Jawel, suste Bente. Kijk maar naar mij, ik zit rechts.

Marianne kwam langs, legde een warme hand op haar schouder.

Je hoeft niet foutloos te zijn, zei ze. Alleen maar levend. Loop op, adem in, zeg je eerste zin. De rest volgt vanzelf.

Anke sloot haar ogen. Haar mond was gortdroog, haar tong stug. Ze haalde adem zoals ze geleerd had. De zwaarte in haar ribben leek haar ergens aan vast te houden geen magie, gewoon biologie.

Haar naam werd genoemd. Anke liep het podium op. De vloer kraakte mee. Ze bleef één handbreedte van het microfoonstatief staan. De spots verblindden, maar dat hielp: minder ogen, minder oordeel.

Ze deed haar mond open. Eén tel lukte het niet. Leegte. Maar toen ving ze in de zaal het gezicht van haar man zijn handen gevouwen, kalm. Haar zoon, niet op zijn mobiel, maar naar háár kijkend. En ze wist ineens dat niemand perfectie van haar verwachtte hier. Ze hoefde alleen maar te zijn.

Ik heb altijd zachtjes gepraat, hoorde ze zichzelf zeggen. Haar stem trilde, maar hield stand.

Daarna ging het vanzelf. Niet ieder woord als uit het hoofd, maar het verhaal kwam. In het midden haalden haar gedachten het eens door elkaar, maar niemand joeg haar op. Ze stopte, ademde, sprak haar tekst, zoals hij kwam. Niemand viel over haar fouten. De stilte in de zaal was geen veroordeling, maar luisteren.

Bij het zinnetje nee hield ze een pauze precies zoals voorgeschreven. En voor het eerst glimlachte ze niet als excuus. Ze zei het gewoon.

Op het einde stapte ze een halve meter achteruit, vergat niet dat de microfoon mag blijven staan, haar handen losjes zichtbaar. Ze boog kort.

Het applaus was niet hard, maar warm en echt. Dankjewel, zei iemand hardop. Anke hoorde het, en het voelde alsof het alleen voor haar bedoeld was.

Achter de coulissen leunde ze uitgeput tegen de muur. Haar knieën week, als na een hoge trap. Bente knuffelde haar kort, zoals vrienden dat doen.

Je bent gegaan, zei ze.

Anke knikte. Ze wilde huilen, maar dat kwam niet. In plaats daarvan was er iets nieuws: een gevoel dat ze eindelijk haar plek had ingenomen, die ze altijd had gemeden.

Na afloop rommelde men nog na, zocht spullen bij elkaar, er werden fotos gemaakt. Anke vond haar tas op de stoel bij de muur, checkte de rits, haalde haar map tevoorschijn. Haar tekstblad was een beetje verkreukeld. Ze streek het glad en merkte ineens dat ze het niet meteen wilde weggooien. Dit was het bewijsstuk: het was gebeurd.

Man en zoon wachtten in de gang.

Best goed, hoor, zei haar zoon, met een schijn van nonchalance, maar zijn ogen twinkelden. Was best leuk.

Haar man knikte.

Je stem klonk anders. Niet zoals thuis.

Anke lachte kort.

Thuis ben ik altijd gehaast, zei ze. En voegde daaraan toe, voor ze zich kon bedenken: Ik wil doorgaan.

Ze liepen samen Utrecht in. Anke sloot haar jas tot bovenaan, trok haar sjaal recht. Van binnen trilde ze nóg, maar nu van iets goeds: haar lijf wist het ze had de stap gezet.

De volgende dag was Anke te vroeg bij het atelier. Niemand in de gang. Ze liep naar de tafel van de administratie, pakte het inschrijfformulier voor het vervolgniveau. Bij doel zocht ze niet naar mooie woorden. Ze schreef gewoon: Praten.

Toen Marianne naar buiten kwam, keek Anke op.

Ik blijf, zei ze.

Mooi, zei Marianne. Kies dan maar een nieuwe tekst.

Anke nam het mapje aan, drukte het tegen haar borst. Op weg naar het lokaal voelde ze ineens: ze had zich bij niemand meer verontschuldigd. Een kleine, haast onzichtbare verandering. Maar in haar hoofd klonk het als een staande ovatie.

Rate article