Mijn leven leek uit porseleinen scherven gevormd door de afwezigheid van mijn vader, als een vreemd schilderij in de nacht. Hoe ouder ik werd, hoe sterker het verlangen om hem te vinden door mijn dromen golfde op zoek naar antwoorden die fladderden als verdwaalde eenden over het IJsselmeer. Mijn moeder droeg mij al onder haar hart, toen mijn vader zomaar, op een maandagochtend zonder regen, met zijn klompen de deur uitliep en voorgoed verdween in de mist. Ze verborg haar zwangerschap als een vergeten fiets in een onopvallend steegje, bang voor het gesis van roddel, terwijl mijn vader juist zijn verantwoordelijkheid liet dwarrelen als herfstbladeren in een storm.
De herinneringen aan mijn moeder hardwerkend, nuchter en vasthoudend als het Friese landschap, die me voedde met stroopwafels en elke avond een zachte kus op mijn voorhoofd plaatste voordat ik naar haar dromenland vertrok hield ik stevig vast. Toen ik ouder werd, begon de nieuwsgierigheid naar mijn vader als een tulpenbol in het voorjaar te ontkiemen, maar ik durfde de vraag nooit aan mijn moeder te stellen. Haar blik was immers breekbaar als het oudste Delfts blauw servies.
Na jaren van schaduwen en stilte begon mijn zoektocht. In een oude kast, verstopt achter stapels lakens waar nog de geur van de zee aan kleefde, vond ik papieren met zijn naam: Koen van der Laan, zijn voornaam en adres, ergens in Rotterdam, waar de straten echoën tussen de Maas en verre herinneringen. Wat nu? Ik typte zijn naam in menig zoekmachine, maar kreeg alleen maar wazige antwoorden en fletse fotos. Op een vreemde dag ontmoette ik via een forum een meisje met een naam als een druppel ochtenddauw: Maartje. Ze woonde in dezelfde stad als mijn vader en beloofde me te helpen bij deze onbestemde tocht.
Zonder te aarzelen reisde ik naar Rotterdam. Maar zoals in dromen zo vaak gebeurt, was mijn vader nergens te vinden hij zweefde met zijn nieuwe gezin ergens tussen de duinen van Zeeland en de fietspaden van Texel. Maartje, met haar speelse vlecht en onverstoorbare vriendelijkheid, vroeg de buren. Er werd gefluisterd achter gordijnen, gezocht in agendas, en uiteindelijk kregen we een adres, omhuld door de geur van versgebakken poffertjes. Ze probeerde hem namens mij te bereiken, haar vingers tikkend als regendruppels op het raam.
Het antwoord van mijn vader was als het zachte klappen van een gesloten brug op een late herfstmiddag: teleurstellend en kil. Hij wilde mij niet ontmoeten; zijn nieuwe leven was als een pas gestucte dijk en hij wilde de risicos niet overstromen met onbekende sentimenten zelfs als die vreemdeling ik was, zijn eigen kind. Zijn afwijzing viel als koude motregen op mijn schouders en ineens begreep ik de stille wijsheid die woonde in de woorden van mijn moeder.
Terugkijkend voelde ik hoe mijn zoektocht als een onbezonnen fietstocht tegen de wind in was geweest ik had niet gedacht aan de onverwachte bochten en de scherpe drempels. Het niet-herkend worden door mijn vader verdiepte het gat in mijn borst, dat toch altijd al aanvoelde als het kromme boegbeeld van een oud VOC-schip zonder thuishaven. Misschien werd het nu tijd mijn angst voor leegte te laten varen en te rusten in de warme armen van de onvoorwaardelijke liefde en zorg die mijn moeder, die nuchtere, onverzettelijke vrouw uit Zwolle, mij altijd had gegeven.






