**DE BELLEBLOEMEN**
Nog net anderhalve stap te laat waren Lotte en haar moeder voor de tram. Het oude wagentje ratelde en piepte weg van de halte. Nu moesten ze minstens een kwartier wachten.
Je bent altijd zo traag! Hoe vaak heb ik gezegd: kom je terug van het speelplein, hang dan je jas netjes op, zet je schoenen op hun plek, zodat we niet zo lang hoeven te rommelen. En waarom moest je per se je krijtjes zoeken? Kun je thuis echt niet zonder?
Mama! Snap je het dan niet? Ik heb het gisteren aan Lieke beloofd. En jij zegt altijd: een belofte is een belofte! Lotte kneep haar ogen stiekem samen. Dat zei je toch?
Nou ja. Maar moeten we daarom de tram missen? Ik moet vanavond nog nachtdraaien. En ik moet je jurk nog strijken, avondeten en ontbijt maken. Wie moet dat allemaal doen? Oma Mien?
Mammie, maak je niet druk. Het komt wel goed, alleen niet zo stressen. Oma Mien zegt dat altijd. O! Kijk, mama! Bloempjes! Hoe heten die? Op het bankje lag een klein verwelkt bosje.
Dat zijn bellenbloemen. Die groeien in het bos. Iemand heeft ze geplukt en ze weggegooid. Of vergeten.
Mammie, ze zijn zo mooi, die bellenbloemen! Laten we ze meenemen!
Alsof je nog niet genoeg rommel hebt Goed dan, neem ze maar, en kom op, daar komt onze tram.
De hele rit, tot aan hun halte, hield Lotte het boeket stevig vast. De steeltjes waren geknakt, de bloempjes verfrommeld, maar voor Lotte waren het de mooiste bloemen ter wereld. Zachtpaars, met een heel licht geurtje, leken ze iets magisch te hebben, alsof ze uit een sprookje kwamen. Een meneer zei dat ze weer tot leven zouden komen als je ze in de grond plantte. Een dame met een dikke buik schudde haar hoofd en zei stellig: Geen grond. Alleen water, uitsluitend water. Een andere vrouw siste boos toen ze uitstapte: Zinloos gedoe, koop liever anjers! Lottes moeder keek zwijgend uit het raam, terwijl Lotte aan de bloemen snoof en fluisterde: Straks verstoppen we jullie. Dan mogen ze zeggen wat ze willen.
Lotte en haar moeder wonen op de tweede verdieping. Beneden hen wonen oma Mien en haar man, die iedereen respectvol Kees-Jan noemt. Lotte noemt hem opa Kees. Iedereen is daar aan gewend. Oma Mien en opa Kees zijn geen familie van Lotte en haar moeder. Het zijn gewoon buren.
Maar ze hebben een betere band dan veel families. Oma Mien helpt altijd met het huishouden, en opa Kees met klusjes. Als een kastdeur loshangt of een slot kapot is, repareert hij het meteen. En als er taart gebakken moet worden of Lotte naar de opvang gebracht, dan is het oma Mien. Zelf vragen ze nooit om hulp. Ze vinden dat ze alles hebben en nog prima voor zichzelf kunnen zorgen. Zo leven ze maar.
Onder het balkon van oma Mien en opa Kees groeit een seringenstruik. En daaronder ligt Lottes geheime plekje. Een verstopplaats waarvan niemand mag weten. Alleen Lotte. Eigenlijk weten opa Kees en oma Mien het ook. Maar ze zwijgen. Anders was het geen geheim meer.
Van de halte naar huis huppelde Lotte. Ze moest snel een fles water vullen en de bellenbloemen in de grond zetten. Anders gingen ze dood, zoals die vrouw in de tram zei. Terwijl haar moeder eten maakte en Lottes jurk strikte, groef Lotte een kuiltje onder de seringen, plantte de bloempjes erin en goot er water overheen. De bellenbloemen kwamen niet tot leven. Ze slapen nog, dacht Lotte. Oké, slaap maar, dan kom ik straks terug.
Lotte bracht haar moeder uit, at, waste de borden en rende terug naar haar bellenbloemen. Zelfs de krijtjes voor Lieke vergat ze.
De zon verdween achter de horizon. Schemering trok als een grauwe deken over de stad. Oma Mien was klaar met haar avondklusjes en wilde Lotte ophalen. Als Lottes moeder nachtdienst had, sliep Lotte bij oma Mien en opa Kees. Maar opa Kees gebaarde zijn vrouw stil te zijn en wees naar het balkon. Lotte zat gehurkt bij haar geheime plek. En ze huilde. Voor haar lag een plasje water met verwelkte bellenbloemen. Oma Mien begreep het meteen. Ze sloop stilletjes naar de sering en ging naast Lotte zitten.
Wat is er, schatje?
Oma Mien! snikte Lotte. Oma Mien, mijn bellenbloemen willen niet leven! Ik heb ze zoveel water gegeven, maar ze blijven liggen! Zijn ze dood?
Nou nee, lieverd, ze zijn alleen ziek. Alle bloemen worden ziek als je ze plukt.
Ik heb ze niet geplukt, oma Mien. Ze lagen op het bankje. Iemand heeft ze weggegooid.
Ach, dat gebeurt soms. Niet huilen. Ik weet wat we doen. Ik heb ergens een toverpoeder. Wacht hier, ik ben zo terug.
Oma Mien haalde een pot bloem, schepte wat in een luciferdoosje en kwam terug.
Kijk, schat. Er is niet veel meer, maar het is genoeg.
Wat is dat?
Toverpoeder voor bloemen. Het is bijna op, maar dat is juist magisch. Kijk. Oma Mien strooide wat bloem over de bellenbloemen en mompelde: *Toveren oma, toveren opa, honderd jaar geluk voor iedereen!* Daarna strooide ze de rest rond het plasje. Zo, nu moeten ze rusten. Het toverpoeder doet zijn werk.
Is het echt toverpoeder, oma Mien?
Echt, schat.
Wanneer worden de bellenbloemen wakker?
Dat zien we morgenochtend. Kom, tijd om te slapen.
Met een bezorgd blik naar haar bloempjes liep Lotte mee naar binnen.
Lotte droomde al haar tiende droom toen opa Kees kreunend zijn oude fiets van het balkon tilde.
Kees, heb je de zaklamp?
Natuurlijk!
En je schepje?
Die neem ik altijd mee!
Ik heb thee in de thermos gedaan.
Thee? Waarom?
Voor als je moe wordt.
Niet nodig. Ik ga niet kamperen.
Blijf niet te lang in het bos, ik maak me zorgen.
Ach, ik ben zo terug. Heb je het plastic?
Ja, Kees, ja. Ga maar, voorzichtig.
Opa Kees fietste zachtjes weg, terwijl oma Mien de deur sloot en terug naar Lotte ging.
Ochtend. De vroege mussen waren wakker, en met hen Lotte. Op blote voeten, nog in haar pyjama, rende ze naar haar geheime plek. En daar wachtte een wonder: in plaats van een modderplas stond een prachtig bosje levende bellenbloemen. Lotte snoof voorzichtig, aaide de paarse kopjes en fluisterde lieve woordjes. Vanaf het balkon keken opa Kees en oma Mien lachend toe. En wie er op dat moment gelukkiger was Lotte met haar herrezen bloemen, of oma Mien en opa Kees, die het kind zon vreugde hadden gegeven dat was nog maar de vraag.






