Waarheid zoeken
Terwijl ze de lege emmer op de grond zette, richtte Wilma de Vries zich op. Over het zandpad, recht op haar moestuin af, kwam een soldaat aangeslenterd. Ze kneep met haar hand boven haar ogen om hem beter te kunnen zien. Zijn verwaarloosde uniform was vaal en ysmatig, de pet met het oranje kroontje zat scheef. De laarzen waren niet langer zwart, maar stoffig roodachtig van de kurkdroge Friese klei. Op zijn rug een oude plunjezak. Hoeveel van die vermoeide, jonge én oude mannen had ze de afgelopen maanden al voorbij zien komen? Soms stopten ze even, vroegen om wat water. Dan bracht Wilma een kan melk en wat roggebrood naar buiten, probeerde ze hen binnen te praten om even uit te rusten. Soms deden ze dat, vaker niet. Dan groetten ze haar, noemden haar moedertje, en liepen gehaast weer verder. Ze wacht op me thuis, mam! Mijn vrouw mist me. En ik red het niet langer! En dan noemden ze haar zo: mam. Het voelde tegelijk fijn als pijnlijk. Haar hart trok zich samen en haar ogen vulden zich met tranen. Wilma draaide zich dan snel om, zogenaamd om appels op de tafel onder het afdakje te ordenen. Ze wilde geen medelijden. Dat had geen nut, nu niet. Zij moesten blij zijn, ze droegen hun geluk naar huis. Andermans verdriet mocht hun feest niet verstoren.
Ach moedertje toch! zei een soldaat dan als hij haar weemoed opmerkte. Zal ik nog blijven zitten? Of kan ik ergens bij helpen? Hout hakken? Water halen misschien?
Nee joh, hoeft niet. Ik heb mn Jan nog, hè! Jan de Vries, man en klussende steun! glimlachte Wilma trots naar het huis, waar haar man, oud en loom van de hitte, op het bankje in de schaduw sliep.
Oud was Jan eigenlijk alleen maar door het leven, niet door de jaren. Zijn ziel was plots ouder geworden, toen Erik Hou op! Niet aan denken nu! probeerde Wilma zichzelf moed in te spreken.
Na een kort praatje bleef de soldaat weer even zitten, haalde een paar keer diep adem, en vervolgde zijn weg. Wilma staarde hem dan na. Iemands geluk reisde die kant op, vaak nog kilometers te gaan voordat moeder, vrouw of zus hoorde hoe het tuinhekje klapperde, de hond aansloeg, voetstappen de stoep op klonken en de deurklink langzaam naar beneden ging.
Dan stokte het hart even, hield de adem in, en daarna kwamen de tranen; hete, onstuitbare vreugdetranen, maar altijd met een raffel van weemoed erdoor. Vreugde omdat hij thuis was, verdriet vanwege alles wat hij onderweg was kwijtgeraakt. Terug kwam nooit de dartelende knul met rossige krullen of donkere krullen en een ondeugende blik. Nee, terug kwam een man, grijzer, strenger, met lijnen en littekens in zijn gezicht.
De soldaat keek naar zijn familie, zij naar hem, en het was alsof ze opnieuw moesten leren elkaar te kennen. Maar hun liefde, hun hoop, hun leven dat alles lag nog voor hen, in de dageraad die straks over de weiden en rivieren zou trekken, zacht als melk en goud.
Als Jan wakker werd, ging Wilma naast hem op het bankje zitten, liet haar hoofd tegen zijn schouder zakken en vertelde over de gast van die dag, waar hij naartoe was gelopen en het eten dat hij niet wilde aannemen.
Ach hou toch op joh! mompelde Jan. We moeten blij zijn dat er weer een kerel thuisgekomen is. Niet weer je tranen! Erik is nog altijd bij ons, snappie?
Wilma knikte, maar… Hoe kan hij er nou zijn, als ze hem niet kon omarmen, een kus op zijn kruin geven, hem niet aan kon roepen aan tafel?
Die avond, toen het begon te schemeren, kwam Bart langs, stommelde wat bij het hek, rookte een zelf gerolde sigaret, twijfelde en klopte uiteindelijk toch aan.
Goedenavond, mag ik misschien overnachten? t Is zwaar geweest vandaag, zei hij zacht.
Hij probeerde te glimlachen, zoals vroeger, maar kreeg het niet voor elkaar, de brok in zijn keel was te groot.
Hij leunde even steunend op het hek en moest diep ademhalen.
Jan, kom gauw! Er is wat met deze man! riep Wilma ongerust terwijl ze op hem afrende. Kom maar hier, leun maar op mij Zo ja.
Ze liet Bart zn hand op haar schouder rusten; de zwaarte ervan deed haar bijna wankelen. Jan schoot te hulp, hees de soldaat naar het bankje.
Wilma, haal wat koud water! commandeerde Jan haar. Ondertussen boog hij zich over Bart, die alleen maar flauwtjes zijn hoofd schudde als antwoord op zijn vragen.
Ik heet Bart, zei de soldaat, half op de tast. Knal in mn kop, verdomme Zijn kin en handen trilden. Iedereen is daar achtergebleven, ik ben de enige die nog over is. Maar waarom? Waarom toch? plotseling schreeuwde hij hees, wankelde overeind.
Rustig Bart, hou toch op, dit helpt niet. Kom, laten we naar binnen gaan, uitrusten. Morgen praten we verder, zei Wilma kordaat, terwijl ze hem een beker ijskoud water gaf.
Het liefst had ze hem in de tobbe gestopt, zijn uniform in de stoof gegooid, hem helemaal schoon geboend en daarna een schone, wit geborduurde boezeroen gegeven en stiekem een kus, zoals bij Erik, haar zoon. Maar dat durfde ze niet waar Jan bij was.
Maar goed, badhuis en dat alles moesten wachten. Bart viel als een blok in slaap op het bed. Wilma bleef nog even staan luisteren, liep toen weer naar buiten.
Jan zat op het stoepje een simpel, zelfgetimmerd gevalletje van hem en Erik. De tabak rolde tussen zijn vingers naar beneden. Scheldend raapte hij het op, probeerde opnieuw een shagje te draaien.
Zal ik het doen? vroeg Wilma, ging naast hem zitten en rolde zijn sigaret. Je maakt je zorgen om Bart, hè?
Ik weet het niet, antwoordde Jan. Als iemand niet meer wil leven dat is niet goed.
Komt goed, bromde Wilma stug. Als hij uitgerust is, komen zn gedachten vanzelf weer op zn plek. Iedereen kent verdriet, gaat er bijna aan onderdoor. Het trekt vanzelf weg, echt. Kom eten, Jan.
Jan keek haar aan, knikte. En ineens dacht hij als zij er niet meer was, kon hij niet zonder haar verder
Die nacht kon Bart de slaap niet vatten. Vroeger zei zijn maatje Kees hem altijd: Altijd eerst checken wat er om je heen gebeurt, vriend, voordat je overeind springt. Je weet nooit of je wakker wordt naast een vrouw of naast een draak!
Toen had hij gelachen om dat grapje. Maar nu… Ineens leek hij zelf die man naast de draak te zijn geworden. Met het verlangen naar zijn vrouw Els, en het onvermogen haar nog onder ogen te komen.
Het huis was donker, Wilma had bewust elke kier afgedekt om Bart te laten slapen. Vanachter de muur klonk het rustige gesnurk van Jan, en het zachte ademhalen van Wilma naast hem.
Iedere nacht luisterde Wilma soms wakker naar Jans hartslag kloppend, soms hakkelend, dan weer razendsnel, soms ineens bijna stil. Dan gaf ze hem een duwtje in zijn zij hij mompelde wat en samen sliepen ze weer verder.
Bart stond voorzichtig op, zocht in het donker zn kleren bij elkaar, wilde naar buiten voor een sigaret maar stootte het emmer om. Met kabaal trok hij de deur open en stapte de Friese nacht in.
De wereld rook naar nat gras, kruiden en aarde. Mist trok laag langs het pad, dauw kraalde op de moesplanten. Vanuit het kleine boenhok kwam de geur van oude, vochtige planken hem bekend voor zo rook zijn kindertijd.
Bart ging op het bankje zitten en stak een shagje aan. Zijn maag draaide zich om van narigheid.
Kun je niet slapen? hoorde hij ineens een stem achter zich. Jan hing over de reling van het stoepje, gaf hem een oude jas. Hier, gooi om je schouders, straks krijg je nog jicht. Waar kom je eigenlijk vandaan?
Uit Oostermeer, een eindje verderop. zei Bart en wees over het land.
Ha, natuurlijk ken ik dat! Onze dochter is daar eens door de dokter geholpen toen Wilma haar been bijna afkapte met een hakbijl, gniffelde Jan gemeen. Wie vraagt die vrouwen nu om te helpen altijd eigenwijs!
Precies, knikte Bart, Ze zijn allemaal onbetrouwbaar, draaien je om de vinger! Zijn kaken spanden zich.
Jan voelde Barts woede een hele avond onuitgesproken pijn, vastgesnoerd onder het uniform.
Wat heb je meegemaakt, jongen? vroeg Jan. Onze Erik is er ook niet meer, fluisterde hij, terwijl hij richting de oude kerk wees.
Het is eng, Jan, bekende Bart plots. Eerst was het de dood daarna de angst dat ik niet goed genoeg zou zijn voor Els, dat ik haar tot last zou zijn. En nu nu ben ik bang haar te zien.
Hoezo dan?
Ik ben bang dat ik haar iets zou aandoen, als ik haar ogen zie… Ze heeft me verlaten. Mijn buurvrouw schreef me dat. Ze had er zelfs kinderen bij, terwijl ik daar in de loopgraaf lag. Hoe leef je dan verder?
Hij was de wanhoop nabij.
Niet verder praten nu, dacht Jan. Hé Bartje, je mag wel dr eentje voor me hakken, hè! Mijn rug is zo stijf als een biels vandaag. Wilma zet straks een ontbijtje klaar. Daarna kijken we wel verder.
Bart draaide strak zijn riem recht, trok zijn uniform uit en liep naar het hout. Even nergens aan denken.
Wilma keek de volgende ochtend op toen ze zag hoe Bart zich op het eten stortte, als een uitgehongerd dier. Even leek hij zich ervoor te schamen.
Het is goed joh, smaakt het? lachte ze.
Heerlijk, dank u, mevrouw de Vries. Waar is uw zoon eigenlijk? Erik toch? Komt hij thuis?
Dat stoktehij had het portret van Erik al gezien, met een zwart lintje over de hoek van de lijst.
Sorry stamelde Bart.
Wilma knikte, Jan snoof diep. Hij kwam een jaar geleden thuis, dolblij waren we! Maar toen verschoof een scherf en die ging zo zijn hart in. Gehaald door het noodlot, zei Wilma met een ernstige stem.
Genoeg, Wilma, onderbrak Jan haar streng. En jij, Bart, ga je terug naar huis?
Nee, mompelde hij. Hij durfde niet. Bang voor haar schuldige blik, zijn eigen boosheid, zijn reactie.
Je moet het doen, zei Wilma gedecideerd. Praat, maak het af. Dan ben je ervan af.
Het is al duidelijk genoeg, toch? zei Bart terwijl hij zijn glas hard op tafel zette.
Toch is het nooit zo simpel, herinnerde Wilma zich plots. Jouw buurvrouw, Nienke, werkte bij het postkantoor hier. Ze roddelde altijd over iedereen. Over een vrouw die kinderen van het station meenam tijdens de evacuatie. Die vrouw heette Maria of misschien wel Els…
Jan keek Wilma verbaasd aan, Bart sprong op, starend van verwarring.
Heette ze Els? fluisterde hij.
Dat kan, ik weet het niet meer, mompelde Wilma.
Jan stond op, liep naar buiten en overhandigde Bart zijn inmiddels droge uniform.
Ga maar jongen. Je kunt het aan nu, toch?
Bart knikte, omhelsde de oude mensen en vertrok.
Bij Oostermeer aangekomen, plukte hij onderweg een bos wilgenroosjes roze bloemen, die Els altijd zo mooi vond. Voor het hek stond een jongetje met een kitten te spelen. Toen hij Bart zag, rende hij het huis in.
Els, er is een meneer bij het hek! hoorde Bart zijn stemmetje.
Els kwam naar buiten, met een kindje op de arm. Ze keek Bart recht aan niet schuldbewust, maar sterk en in control.
Wat kom je hier doen? vroeg ze.
Hoezo? Ik ben thuis, Els! Ben er weer. Deze kinderen zijn ze van het station? Ben jij…?, maar Bart voelde de kracht uit zich wegzakken.
Het doet er niet toe. Ik heb je brief gelezen, uit het ziekenhuis. Die was niet door jou, dat begreep ik wel. Maar was er een andere vrouw? Moet ik gaan? vroeg Els.
Wat bedoel je? Laat dat zien! Bart trok haar zacht naar zich toe.
Els liep naar binnen, haalde het briefje, waarop stond dat Bart niets meer voor haar voelde. Dat hij daar een andere had ontmoet.
Dat is helemaal niet zo! Bart scheurde het briefje door. Dit is vals!
Els zuchtte. Nu luisterde Bart niet meer, maar liep rood van woede met het briefje in zijn hand linea recta naar het postkantoor, het groene huisje met het bordje Post.
Daar zat Nienke. Toen Bart binnenstormde, liet ze bijna de post uit haar handen vallen.
Was dit jouw schuld? Die brieven van mij aan Els, heb jíj die verstopt? Waarom? Nienke, waarom?!
Ze kromp ineen. Omdat ik van je hield, stommerd! Maar jij keerde me de rug toe. Ik hoopte dat je nooit terug zou komen. Nu ben ik alles kwijt. Rot op, Bart! Ga naar je kinderen. Mij hoef je niet meer!
Met een gebaar gooide ze de brieven op de grond. Bart draaide zich om, zn ogen bleek van verdriet.
Jij bent nu het hoofd van je gezin, hè? vroeg een oude vrouw die binnenliep. Hij knikte. Alles viel weer op zn plek.
Thuis zat kleine Erik aan tafel, rangschikte de bloemen liefdevol. Wilgenroosje papa heet Bart. Mama heet Els. Mama houdt van deze bloemen, daarom heeft papa ze haar gebracht.
Buiten in de tuin stonden vader en moeder bij het hek, zoenend in het zachte ochtendlicht. Iedereen glimlachte, niemand maakte een opmerking want een soldaat was naar huis gekomen. Het leven lag voor hen, en hun toekomst begon nu, met deze kus die alles weer goed maakte.
Denk je dat het goedkomt tussen die twee? vroeg Wilma zacht aan Jan toen ze samen gingen slapen.
Natuurlijk! Mensen moeten gewoon praten, dan komt alles goed. Heb je het ochtendrood gezien? Dat was voor hen. En ik hou van jou, Wilma, zo veel, dat valt niet uit te leggen
Jan dommelde in, en Wilma luisterde nog urenlang naar het geruststellende, bonkende kloppen van het liefste hart dat er bestond.






