Op de tweede dag na de bruiloft voelde Alisa zich erg slecht. Er werd een ambulance gebeld en ze werd onderzocht. Robert was lange tijd van slag na het gesprek met de arts.

Robbert bevond zich in een wonderlijke droom van draaiende grachten en zwevende fietsen, toen hij ontdekte dat zijn vrouw, Fenna, hem ontrouw was geweest. Zij had het hem zelf verteld, haar stem trillend, terwijl ze op knielende voeten om vergeving smeekte tussen tulpenbladeren die uit de muren groeiden. Robbert kon met geen mogelijkheid bevatten hoe Fenna zoiets had kunnen doen. Maar hij wist: zij handelde vaker impulsief, alsof ze een schaatswedstrijd tegen zichzelf reed.

De dag ná hun bruiloft, terwijl bakstenen huizen leken te drijven op de Maas, had Fenna aan Robbert opgebiecht dat ze een lening had afgesloten. Samen zouden ze deze moeten afbetalen met hun zweet, hun euros wegvloeiend in een bodemloze klomp. Niet lang erna werd Fenna plots ziek, een ambulance met wielen van kaas bracht haar naar een ziekenhuis waar de bedden waren opgemaakt met Delfts blauw. Later ontdekte Robbert dat Fenna een miskraam had gehadiets waarvan hij nooit geweten had dat het groeide in haar als een geheime tulp in een bevroren perk.

“Nu werken we allebei goed,” fluisterde Fenna als een echo in een lege fietsenstalling. “We verdienen ruim, ik wil onze financiële façade niet doorbreken met het huilen van een kind.” Toen kwam de volgende vreemdheid: Je moet mij ook bedriegen, Robbert, dan zijn we weer gelijk, vond Fenna uit haar eigen draaikolk van logica. Ze regelde zelfs een ontmoeting voor Robbert met een vriendin van haar, een lange blonde vrouw met een glimlach zo scherp als een haringmesje.

Maar Robbert kon het niet. Alsof hij probeerde de zee droog te fietsen, wilde het gewoon niet lukken. “Ben jij geen echte man?” vroeg de blonde, haar stem hol als een kerkklok op maandagochtend. “Ik ben gewoon een gewone vent,” zei Robbert, “Ik kan mijn vrouw niet opzettelijk bedriegen, zelfs niet in deze droom.”

Hij keerde huiswaarts, zn hoofd zwaar als een emmer vol paling, en wilde Fenna niet aankijken. Robbert pakte zijn spullensokken met molentjes, truien in oranje, zijn favoriete fietspompen nam intrek bij een vriend die onder een reusachtige kaasstolp woonde. Na enige tijd belde Fenna hem op via een telefoon die klonk als kabbelend water: Ik ben in verwachting, Robbert. Je moet terugkomen, het is tijd om opnieuw gezin te zijn.

Maar Robbert voelde geen noodzaak meer voor Fenna, geen verlangen naar gezin of kind onder de weemoedige daken van Rotterdam. Op een dag in een Albert Heijn, waar de appels dansten in de schappen, zag hij opnieuw de blonde vriendin. Zoek je nog iets, Robbert? Dacht dat Fennas plan gelukt was.

Opeens besefte Robbert dat het allemaal niet klopte: hij vroeg bewijsmateriaalechos of een doktersverklaring. Geloof je me niet, Robbert? siste Fenna tussen roterende stroopwafels. Je woord is niets meer waard na jouw verraad, Fenna, antwoordde hij. Omdat Fenna niets kon tonen dan lege handen vol wind, begreep Robbert eindelijk dat hij opnieuw bedrogen was, in het binnenste van zijn eigen droom.

En zo vroeg hij echtscheiding aanzijn handtekening dwarrelend als confetti neer op papieren van pekel.

Rate article