In de wachtkamer van de hartarts zat een onbekende man naast mij. In plaats van het gebruikelijke goedemorgen boog hij zich lichtjes voorover en vroeg: Heb je ooit een klimkamp gevolgd in De Veluwe? Er is een klein litteken boven je rechterwenkbrauw ik herken het.
Een zwaarte trok aan mijn keel. Een dun lijntje, dat ik normaal bijna niet in de spiegel zie, brandde ineens als een verse wond. De geur van ontsmettingsalcohol, het gezoem van de waterbak, het hoesten en gebrul van de andere patiënten alles verstomde. Alleen die stem en het augustuszonnetje van vroeger bleven bestaan.
Klimkamp, 1984? fluisterde hij, alsof hij voorzichtig een puzzel legde. Ik knikte. Het litteken was een souvenir van een struikelen over een keien bij de waterval van de Roodklooster; het bloeden was hevig, en een jongen met een rode speelgoedpistool legde een pleister op mijn wond en tekende er een vrolijk gezichtje op.
Altijd vertelde ik die kleine herinnering aan de kinderen: een vriendelijk gebaar van een vreemde. Ik had nooit gezegd dat ik de rest van de week de rode pistool met mijn ogen bleef zoeken.
Jeroen stelde hij zich nu voor, alsof hij een zin afmaakte die veertig jaar geleden begon. Hij had dezelfde lachlijn, dezelfde verlegenheid die zich verstopte achter een grap.
De rimpels rond zijn ogen verdiepden het gevoel dat wat er gebeurd was, geen bittere nasmaak, maar een warme. Hij schuifte dichterbij, lette op mijn tas. Ik zag het litteken toen je je bril optilde. Ik dacht: als jij het niet bent, speelt het lot wel een gek spel.
Ik nam een diepe adem en zei: Die pleister met het gezichtje. Hij lachte net zoals we dat deden rond het kampvuur, terwijl we liedjes zongen die een halve natie kende. Door het raam van de wachtkamer keek ik naar een park met kronkelende kastanjebomen en een oktoberwind.
Een verpleegster, met een koord om haar mondmasker, rolde namen om, terwijl een pen op een lijst tikte. Alles liep in het gewone ritme, maar ik kreeg het gevoel dat de wereld een bocht had genomen en terugkeerde naar een kruispunt waar we ooit in de verkeerde richting waren gegaan.
We spraken fluisterend, alsof we de herinneringen niet te hard wilden wekken. Hij vertelde dat hij na dat zomerkamp opeens met zijn ouders naar een andere stad was vertrokken, zonder afscheid. Hij schreef een brief, maar vond nooit een adres.
Ik vertelde hoe ik lang bij het prikbord van het kamp wachtte, al had ik geen reden. Toen kwamen studie, werk, huwelijk, kinderen. Het leven werd een lijst met taken. Het rode pistool was verdwenen, alleen het litteken bleef.
Iemand heeft een bestand achtergelaten bij de receptie! riep iemand achter de deur en een golf van alledaagse geluiden keerde terug: schuivende stoelen, papieren bekertjes, haastige stappen. Ik zag Jeroen een doorverwijzing naar een echo van het hart vasthouden.
Artritmie, murmelde hij half-grappig. Misschien door De Veluwe, misschien door de herfst, of omdat we na veertig jaar weer naast elkaar zitten. Ik voelde de hoeken van mijn mond zich optillen zonder dat ik het zelf deed.
Hij had iets wat ik in mensen altijd waardeerde: aandacht. Hij vroeg of ik nog steeds van wandelingen hield, of ik favoriete routes had, of ik nog steeds thee met citroen en honing dronk, zoals vroeger. Ik antwoordde bedachtzaam, probeerde niet te veel te laten zien, maar nam zijn aanwezigheid in me op als de warmte van een hand in een koude dag.
We haalden de tenten, de vochtige slaapzakken, de geografieleraar die de werelddelen door elkaar haalde, en die groepsfoto waarop ik knipperde. Ik herinnerde me niet dat hij toen naast me stond; hij wel.
Plots vroeg ik: Waarom kwam je die avond niet naar me toe, in De Veluwe? Hij haalde zijn schouders op. Ik was bang dat je mijn naam niet zou onthouden. Voor een achttienjarige was dat het einde van de wereld.
Ik wilde zeggen dat ik zijn jasgeur en het tellen tot drie, voordat de kaars in een potje uitging, nog steeds herinnerde. Ik hield die woorden voor mezelf. Laat ze blijven in die augustus.
De verpleegster riep zijn achternaam. Jeroen stond op. Voordat hij wegging, draaide hij zich om en vroeg: Als het je niet te raar lijkt zullen we ooit samen een kopje thee drinken? Met citroen en honing, zoals na de afdaling van de Schierestein?
Met een vinger naar een tafel vol folders, alsof daar tussen cholesteroltips en bewegingsherinneringen een plek voor een telefoonnummer was, wees hij. Plots viel mijn oog op een ring aan zijn vinger dun, simpel. Ik keek naar de mijne; het metaal glinsterde koel onder de fluorescerende lichten. Hij fronste. Stelde ik te veel vragen? voegde hij snel toe. Ik weet niet wat wel mag, en wat niet.
Het mag herinneren, fluisterde ik, bijna te zacht. En daarna zien we wel.
Hij verdween achter de witte deuren van de spreekkamer, en ik bleef achter met het tikken van de klok en het geritsel van mijn pantoffels. Ik pakte een van de folders en schreef mijn nummer op de achterzijde. Voordat ik de kaart in mijn tas kon stoppen, werd ik opgeroepen.
De arts had een zonnige toon en koele handen. Hij luisterde, noteerde, knikte. Het hart klopt gelijkmatig, wat op deze leeftijd uitstekend is, zei hij toen hij de stethoscoop neerlegde. Ik dacht aan het hart als een ondeugende geest: gezond en toch onvoorspelbaar.
Ik verliet de wachtkamer als eerste. De kamer was bijna leeg, de EKGlampjes flikkerden als ministerren. Ik ging weer zitten op dezelfde stoel, naast mijn tas, alsof die beweging de tijd enkele minuten terug kon draaien en de toekomst dichterbij kon brengen.
Ik staarde naar de deur van de spreekkamer en voelde een vreemde mengeling van rust en spanning. Hoe kon één gesprek in een wachtkamer de geschiedenis herschrijven die ik als afgesloten beschouwde?
De telefoon ging. Een onbekend nummer. Het geruisde weg voordat ik kon opnemen. Ik legde de mobiel weg, hield de folder met mijn nummer, vouwde hem tot een papieren kraanvogel die nooit zou vliegen. Iemand zette de televisie boven de receptie aan fragmenten van het weer, een koude front, regen in de bergen. Een glimlach kroop onder mijn lippen bij het woord bergen, alsof het zelf een boodschap was.
Jeroen kwam even later naar buiten, met een map vol resultaten en een glimlach die moeilijk alleen maar beleefd kon heten. Ik zette twee stappen, stond stil. In mijn hand lag dat kleine, gevouwen briefje. Onze blikken kruisten zoals ooit boven die pleister.
In één seconde stroomde alles naar me toe: de kinderen die ik leerde niet te verlangen naar wat onbereikbaar is; de man die al jaren rechts van mij in het bed slaapt; een wereld die niet houdt van plotseling jong worden, terwijl de leeftijd zo hardnekkig is als een kalender. En die gedachte die men niet hardop uitspreekt: soms is een toeval de sleutel tot een deur die we niet hadden gepland te openen.
Ik stak mijn hand uit. Hij deed hetzelfde. Het briefje gleed tussen onze vingers en viel op de stoel ernaast. Het hing tussen ons als een slinger. Een lichtflits speelde op onze ringen. Even boog niemand zich.
Ik moet nu gaan, zei hij. Ik ook, antwoordde ik. We knikten als oude kennissen die weten dat er woorden zijn lichter dan stilte en zwaarder dan beloftes.
Ik draaide me om, hij volgde. Na drie stappen keek ik nog om, maar hij keek al naar de receptie. Het briefje lag nog steeds op de stoel, een witte vlek op de marineblauwe bekleding, net als de pleister op mijn voorhoofd ooit.
Thuis, voor de spiegel, streek ik met mijn vinger over het litteken. Het is slechts een dunne lijn, maar hij kan in een seconde een lichaam terugvoeren naar een augustus dat veertig jaar geleden lag. s Avonds zette ik thee met citroen en honing; de stoom zwierde alsof hij iets wilde herinneren. De telefoon lag met het scherm naar beneden op tafel; ik keek niet of er gebeld werd.
Ik weet niet zeker wat er vandaag werkelijk gebeurde: een toevallige ontmoeting of een generale repetitie voor iets dat zou kunnen beginnen als we tien jaar jonger of een beetje moediger waren.
In mijn tas, in een binnenzak, vond ik s avonds een gevouwen folder met een schema van een gezond hart en een dunne inktstreep, alsof een pen het papier had doorboord. Er miste nog maar één gebaar. Misschien draait het in al onze levens wel om dat ene gebaar te veel, te weinig, of precies op tijd.






