De telefoon gaat. Het is school.
Mam, ik ben klaar. Ik kom naar huis.
Normaal duurt het dertig minuten om thuis te komen. Maar anderhalf uur later is hij er nog steeds niet. Ik bel.
Hallo?
Op de achtergrond hoor ik geschreeuw, gevloek, chaos.
Waar ben je?!
Ben er bijna, wacht maar.
Hij hangt op. Ik bel terug. Onbereikbaar.
Moeders, hoe lang duurt het voordat je jezelf zo gek maakt dat je keel dichtknijpt en je handen trillen?
Bij mij precies tien seconden. Misschien iets langer.
Dan begint mijn fantasie op hol te slaan: een vechtpartij. Overvallen. Iets ergs. Iets onherstelbaars.
Aankleden. Rennen. Waarheen? Langs de busroute. Alle portieken in de buurt afspeuren. De mentor bellen. Nee, eerst de politie. Of toch die vriend van de familie die rechercheur is? Misschien kunnen ze zijn telefoon traceren. Maar kan dat als die uitstaat?
Ik ren van de ene kamer naar de andere, starend naar de toegangen tot het flatgebouw. Ondertussen blijf ik bellen. Steeds weer. Onbereikbaar.
Nog twintig minuten van gespannen wachten.
Ik trek een broek aan, een trui. Paspoort. Sleutels. Slaapkamer in, op zoek naar mijn telefoon. Alles overhoop gehaald. Verdwenen. Ik ruk het dekbed weg. Iets zit in de weg. O, mijn telefoon. Die hield ik al die tijd vast.
Ik gris mijn jas van de kapstok. Niet huilen. Alsjeblieft niet huilen. God, vanmorgen schreeuwde ik nog tegen hem omdat hij zijn bed niet had opgemaakt. Wat maakt dat bed nou uit?! WAT MAAKT DAT BED NOU UIT, STOM MERRIE?! Nooit meer. Nooit meer schelden. Mijn jongen, mijn jongen…
De deurbel gaat.
Ja?
Het Franse Vreemdelingenlegioen groet u!
Waar ben je geweest?!
Mam, doe open, er staan hier mensen te wachten, zegt het Franse Vreemdelingenlegioen haastig.
Ik gooi mijn jas af. Loop naar de deur.
Ik vermoord je, denk ik grimmig.
De liftdeur gaat open. Een twee meter lange slungel stapt uit. Zware rugzak. Een verdacht uitstekende jaszak.
Waar. Ben. Je. Geweest? sis ik als een draak.
Mam, ik bleef nog wat extra werken voor geschiedenis.
Kon je dat niet even zeggen?
Het was heel spontaan. Toen ik eraan dacht, was de bel al gegaan.
Een appje sturen? Zodat ik niet ongerust hoefde te zijn?
Mam, je weet toch dat we tijdens de les geen telefoon mogen gebruiken!
Je belde me later terug, en ik hoorde geschreeuw!
Oh, dat waren dronkenlappen bij de bushalte. Wou je vertellen dat ik later was, maar mijn telefoon was leeg.
Ik sta te hijgen.
Dit is voor jou, zegt hij en haalt een ijsje uit zijn zak. Met een grote, brede glimlach.
Die glimlach is van mij. En van mijn vader.
Drie jaar geleden, toen geld echt krap was, nam hij altijd tien euro mee als hij met vrienden ging stappen. Hij kwam thuis met een reep chocola. Geen idee hoe hij dat voor elkaar kreeg. Maar altijd, altijd kwam hij aan met die reep.
Mam, deze is voor jou.
Voor mij. Van mij. Over mij.
Dit blijft. Mijn hele gezegende, door moederliefde verlichte leven lang.
Als ik nou eens kon leren me niet zo gek te maken…






